donderdag 20 februari 2014

Fonkelende ogen (2)



TIBET, pagina 25: de Yeti die gewelddadig wordt als hij alcohol heeft gedronken…

Dronk oom Tchake?

Ik herlas TIBET en liep vast in assumpties. En het lijkt allemaal zo verrekte helder: de seksuele mishandeling van de jonge Georges, de interne strijd, de Yeti als kindervriend en als monster…

Als de Tekenaar die tragiek in het album heeft verwerkt, dan dient zich nog een andere tragedie aan. De studio-Kuifje kan die emoties helemaal niet aan. Het geesteskind van Hergé is in deze fase van zijn carrière al letterlijk rimpelloos. Leg daar LOTUS BLEU eens naast waarin, naarmate het verhaal vordert, gezichtslijnen en rimpels een waaier aan expressies mogelijk maken. In TIBET is de held een botox-figuurtje en kunnen de tranen evengoed zweet- of regendruppels zijn.

Toen ik het album dichtklapte, verlangde ik vurig naar een Andere Levenslijn, naar een tekenaar die is losgekomen en die in een interview verklaart:

‘Ik begreep dat ik deze pijnlijke geschiedenis alleen maar op papier kon zetten door terug te keren naar de lijnvoering van LOTUS BLEU. Dat betekende dat ik de klus zónder de Studios moest klaren, dus in mijn eentje.’




Ik knijp er even tussenuit. Half maart verder.

dinsdag 18 februari 2014

Fonkelende ogen (1)



Pintura negra. Carte noire. Links oom Tchake, rechts de jonge Georges.

In het schemerduister van de grot boog zich een enorme kop over me heen en staarden twee fonkelende ogen me aan.

TIBET, pagina 58. Is dat het? Is dát de meest ondubbelzinnige verbeelding van een traumatische wond waaraan de Tekenaar zich heeft gewaagd? Het misbruik door zijn tien jaar oudere oom Tchake (Arthur Dufour, de jongere broer van zijn moeder), waarover Benoît Peeters rept in zijn ‘Fils de Tintin’ en waarover de biograaf tegelijk terughoudend is, want: geen documentatie, geen ooggetuigen?

Let op de angst bij Tchang voor de boosaardigheid van de Yeti (die óók zorgzaam is). Het tafereel is, ook zonder de begeleidende tekst, emblematisch voor kindermisbruik in een thuissituatie. Het lijkt me allemaal zó onmiskenbaar dat ik in het duister tast over deze schamele Google-score: Tchake + Hergé = 9 hits.

zaterdag 15 februari 2014

Rectificatie



Bij het afbeelden van de zeldzame Hergé-kaarten, afgelopen woensdag, is iets misgegaan. De middelste kaart (hierboven links) is geen Carte noire, maar een Carte libertine. Onder de zwarte folielaag treffen we niet de verbeelding van Hergé’s diepste angsten en depressies, maar het scabreuze plaatje dat Hanco Kolk tekende voor het album ‘De glunderende gluurder’ van Ben Jansen.

Overigens, hoewel ik de kostbare Cartes noires in bruikleen heb, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en heb ik, met bevende hand, de zwarte vlieseline van een van de kaartjes weggekrabd. De afbeelding die tevoorschijn kwam, sloeg me onmiddellijk uit het lood.


(Wordt dinsdag vervolgd)

woensdag 12 februari 2014

Ultra-afsplitsing



I.
‘Vroolijk kerstfeest!’, wenskaart uit 1942. Kuifje achtervolgt twee leden van de Klein-Brabantse verzetsbeweging de Zwarte Hand die de kerk gaan opblazen waarin Freiherr Alexander von Falkenhausen, militair gouverneur van België, de nachtmis viert. Onze held weet op het nippertje de Militärbefehlshaber van een wisse dood te redden.

De kaart, uit een kavel van vier goedbewaarde Cartes neige/Sneeuwkaarten, is morgenavond een van de toppertjes op alweer een Hergé-veiling van Catawiki. ‘Uiterst zeldzaam’, volgens aanbieder Marcel Wilmet.

II.
Nog veel zeldzamer - en zelfs bij menigeen volledig onbekend - is het setje van drie Cartes noires:


De afbeeldingen gaan verborgen onder een zwartgetinte ‘vlieseline’ (een in water oplosbare folie) en verbeelden scènes van doodsangst en depressie die ontegenzeglijk verwant zijn met de Pinturas negras van Francisco Goya. In drie uitzonderlijk gruwelijke taferelen ontdekken we telkens een personage dat een hybride lijkt van de karakters uit de albumreeks: een wanhopige ultra-afsplitsing waarmee Hergé vermoedelijk een cruciale beschadiging uit zijn jeugd (het misbruik door zijn oom Tchake?) probeert te herleven en verwerken.


Met dank aan Hans Matla voor het ter beschikking stellen van de Cartes Noires.

maandag 10 februari 2014

Gedeformeerd


Veel moois gezien op Art Rotterdam, kunstbeurs in de Van Nellefabriek, en ook veel van meelachtig allooi:


Plus een onverhoopte ontmoeting met W. die zijn MacBook openklepte en ons delen van de soundscape liet horen die hij maakt* bij Vormittagspuk. De film is dadaïstische leut** uit de tijd dat een piepjonge Georges Remi net in dienst is getreden bij Le XXe Siècle.

Jansen en Janssen waaien (veelvuldig) voorbij…


…en ook Benjamin Rabier duikt heel even op:


Tevens stak de gedachte de kop op dat deze verzamelaar inmiddels een gedeformeerde kijker is.


*) Hij is de eerste niet, merkte S. later boosaardig op.
**) Een stille versie is hier te bekijken.

vrijdag 7 februari 2014

Zwamvlokken


Naargeestige woning bezichtigd met een goedgeluimde S. en daarna steak met frieten gaan eten in De Kring. Ettelijke uren later, in het herentoilet:


Acht maanden oud hartzeer, geplodderd op de muur van een sociëteit waar ik mijn geliefde net iets te vaak heb zien dansen met een schabberige filmproducent. De ondertekening is onnozel en onnodig, het onverzorgde en ongebonden handschrift ogenblikkelijk herkenbaar.

‘Je vroeg er ook om’, zegt S.
- Ik vroeg erom?!
‘Je was zo’n drama queen toen. Maar dat nam me wél weer voor je in.’
- En dan sluip je een herentoilet in om… Hoe lang staat dat er al?
Een half jaar, zegt ze. Minstens. En ze lacht en ik overweeg haar op diezelfde muur ten huwelijk te vragen. Huisje kopen buiten de stad en de verzameling in een schuur waar zwamvlokken de nalatenschap van Hergé geduldig zullen oppeuzelen.

Geluk is wat je er op een bepaald moment onder verstaat. Net als kunst: wat de gek ervoor geeft.

woensdag 5 februari 2014

Onthoofd


Gedenken we hedenmiddag kapitein ter zee Jan Bont, in dienst van de Admiraliteit van Amsterdam en voormalig scheepsgezel van Michiel de Ruyter. Vandaag, 5 februari, is het precies 337 jaar geleden dat deze tijdgenoot van François de Hadoque ‘wegens ongeoorloofd verlof’ op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam werd onthoofd. Bont wandelde in zijn kamerjas en op sloffen naar het schavot en de belangstelling voor zijn rollende hoofd was zo groot dat een aantal toeschouwers werd doodgedrukt.

Toegegeven, een irrelevant geschiedenislesje, maar wél een voortreffelijk excuus om dit af te beelden:


Het is donderdag 1 november 1934 en Hergé jaagt zijn lezertjes de stuipen op het lijf met een enge Chinees die, balancerend op het onderkader, hen de kop wil afhakken! De gruwel wordt nog eens heel fijntjes aangezet door het ontbreken van enig verklarend onderschrift (‘Tintin en grand danger…’).

De Tekenaar heeft nadien de smaak flink te pakken: in december ’34 en april en augustus ’35 verschijnen nog drie omslagen waarop wordt gedreigd met een bloedige scheiding van hoofd en romp. Zo maakt de wrede Georges de teerste kinderzieltjes rijp voor de praktijk van Herr Doktor Riklin.

maandag 3 februari 2014

Festivalnieuws


En op de valreep toch nog een aardig nieuwtje van het overigens nogal matte, 91ste Festival de la Bande Dessinée d’Angoulème. Klare Lijn-adept Julius Briel is door Casterman gecontracteerd voor de Tintin-équipe d’hiver. Briel, van wie in 2063 nog een grote overzichtstentoonstelling was te zien in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, gaat Tancrède Thaddée assisteren bij het tekenwerk voor het 53ste Kuifje-album. De titel is onlangs prijsgegeven: ‘On est revenu sur la lune’. Scenarioschrijver Lucien Errembault, eerder verantwoordelijk voor de cytosol-uitgave over ingenieur Frank Wolff (deel 7 in de spin-off reeks Tintin Legends) keert daarmee terug op bekend terrein. Briel gaat mogelijk woensdag al naar de maan om schetsen te maken in de Schackleton-krater.

Ondertussen staat er met Gaspard Edwood ook een backuptekenaar klaar voor het Tintin-zomerteam. Het koppel Faustin Krupp en Francis Lartéguy lijkt te struikelen over de deadline voor ‘Tintin Sans Voiles’, de inmiddels veelbesproken reboot van de reeks waarin het universum van Hergé rauw en duister wordt ingekleurd. Wil Casterman de frequentie van vier releases per jaar (buiten de nevenreeksen Legends en Jonge Jaren én de officiële parodiereeks van Maurice Stobbaerts) handhaven, dan is een extra tekenaar welkom.

Voorts werd in Angoulème ook duidelijk dat de équipe de printemps onder leiding van Régis Calvo keurig op schema ligt. Het Bretonse wonderkind Matthieu Soumois tekent momenteel de laatste pagina’s van het lentealbum ‘Tintin et l’Alph-Art Redux’, een project dat voortvloeit uit de vondst van het originele storyboard van het laatste, onafgemaakte album uit de eerste, papieren cyclus.

donderdag 30 januari 2014

Lefdoekje


‘Hergé was niet mooi. Zijn neus was te groot, zijn gezicht te langgerekt. Hij had een paar van die ondankbare dingetjes die hem, op jonge leeftijd, deden lijken op een Belgische renner uit de Ronde van Frankrijk. Het beste waren zijn ogen, grijs - met soms groene, soms blauwe reflecties. En er was zijn slungelige silhouet dat hem een zekere uitstraling gaf.’

Begint goed, dat oude Hergé-lemma op het mode- en stijlblog Le Chouan! Over de kledingstijl van de Tekenaar: van de jongeman die zijn filmidolen imiteert en de onverhulde conservatief die kiest voor non-descripte kostuums tot de gearriveerde kunstenaar die het allemaal niet zoveel meer kan schelen.

Meest vermakelijk blijft natuurlijk de Georges die een Gary Coopertje doet:


Hier met Germaine op de stoep van zijn woning aan de Knapenstraat, halverwege de jaren dertig. Let op het pochet, in die tijd nog wel aangeduid met ‘lefdoekje’. Hergé draagt ‘m in de One Corner Up Fold, een heel eenvoudige vouw en, zoals dat dan heet, ‘toch elegant’. Geschikt voor informele en formele outfits en gelegenheden. Over het algemeen geldt hier: hoe verder het pochet uitsteekt, hoe informeler. Daar moeten we aan toevoegen: een pochet dat vér uitsteekt, vráágt om een dessin en/of een kleurtje. Maar Hergé kiest voor wit, trekt hem informeel ver uit en dat oogt niet zo lekker - toch een beetje de man met een werkbriefje in zijn borstzak.

dinsdag 28 januari 2014

Logisch


I.

Wie hebben we hier?


Het is Charles Wiener, werkzaam bij het Franse ministerie van Onderwijs, als ‘secrétaire de la Haute Commission de sténographie’ - maar toch vooral bekend van zijn extensieve reizen door Bolivia en Peru én, in 1877, de beklimming van de Illimani, ten zuiden van La Paz:


We moeten dit bericht met een korreltje zout nemen. Charles Wiener bereikte niet de top, maar de subtop.

II.
De post bezorgde Wieners monumentale ‘Pérou et Bolivie’, uitgave van Hachette uit 1880 en een rijke inspiratiebron voor Hergé (Gebroken oor, Zonnetempel). Een impulsieve aankoop en een tikkeltje aan de prijs door het stempel van de Royal Geographical Society en een (niet ondertekende) boodschap voor Jorge de Grumkow, een overmoedige baron waarmee Wiener, samen met Don José Maria Ocampo, de Illimani besteeg.
Voor deze stoutmoedige kostenpost kon ik gelukkig een beroep doen op de RVSB, de Regeling Verzamelingen Spontane Bestedingen, met inachtneming van het Als/Dan-protocol.

Ik bedoel: ALS we vorige maand Oud en Nieuw hadden gevierd in, laten we zeggen, Brussel DAN waren we, vermoedelijk, gaan eten in het voortreffelijke restaurant van Luigi Ciciriello. Omdat we thuis bleven, is er een onuitgegeven bedrag in de lucht blijven hangen dat vrij kon worden besteed.

III.
Eigenlijk ken ik geen verzamelaars die nooit de plooien gladstrijken binnen het veld van de propositielogica.

woensdag 22 januari 2014

Want een dag niet gelachen (3)


Ze hádden het leuk samen, De Megaster en De Nulliteit*:


*) Wat als titel heel veel leuker is dan De klare lijn en de golven waaruit dit fragment komt.

maandag 20 januari 2014

Dronken kip


Ontmoeting met D. in Antwerpen. Hij is opnieuw zijn smaak kwijt – nasleep van de lichte attaque die hem veertien maanden geleden trof. Nochtans is hij de beroerdste niet en heeft hij gereserveerd bij het fabelachtige Lam & Yin. We dineren met gelakte eend en drunken chicken. ‘Sma-ke-loos’, zegt mijn dealer met een zoetzuur lachje, om vervolgens de aandacht te verleggen naar de eigenaar van de 9eme Art Gallery.

Dat Alain Van Neyghen in etappes zijn volledige verzameling op de markt kiepert, blijft niet onopgemerkt. Er zit (zie vooral zijn koopjeshoek op eBay) veel moois tussen, zoals, voor achttien mille, een van de honderd hors commerce-albums van TIBET, met een dédicace van de Tekenaar voor de familie De Moor:


Maar ook…


Over de uniciteit van deze uit de werkplaats van Jean-Marie Pigeon (gesigneerd en genummerd: 00) afkomstige snuisterij valt amper te twisten. Maar uniekheid zegt geen moer over schoonheid. 25.000 euro? Voor een infantiel bedlampje?

Maar goed, de afscheid nemende Van Neyghen brengt de flinkheid op die mij nog immer ontbreekt. Thuis vraagt S. of ik me nog iets in de maag heb laten splitsen. ‘Een dronken kip,’ zeg ik vrolijk, waarmee ik mijn voornemen om nooit meer te liegen goeddeels intact laat.

woensdag 15 januari 2014

Nulliteit



I.
Bob de Moor kreeg voor de afronding van ‘De 3 formules van professor Sato’ 15.000 Bfr. (€ 375,-) per pagina en, met enkele voorbehouden, vijftig procent in de royalty’s van de netto-inkomsten. Contractueel vastgelegde deadline: 31 december 1989. Boete bij overschrijding: € 50,- per dag. De Moor tekende het contract aanvang 1989 en had dus minder dan een jaar om ‘Mortimer tegen Mortimer’ te tekenen. Dat heeft ie geweten.

‘Ik dacht, zou ik het nu doen of niet. En toen heb ik de beslissing genomen, ook omdat ik zoiets had van, dat is nu zo dom, dat tweede deel zal nooit verschijnen, het werk van Jacobs is niet af.’

II.
‘Ik had zoiets van…’

Dixit De Moor, in ‘De klare lijn en de golven’ van Ronald Grossey. En in dat ‘dixit’ schuilt meteen ook de makke van deze ‘biografie’ van de meester-assistent van Hergé (en die van het weekblad Kuifje). Grossey wil of durft het verhaal niet in zijn eigen woorden te vertellen, op basis van verzamelde citaten, maar neemt die citaten letterlijk over. Voor een biograaf lijkt me dat een zwaktebod. Het betekent dat hij de tekenaar voortdurend zijn eigen levenswandel laat becommentariëren en dat het in deze uitgave wemelt van kromspraak en bijzinnetjes als ‘zei De Moor later’, ‘herinnerde De Moor zich later’ en ‘vertelde De Moor achteraf’. Zonde, want Grossey heeft wél veel interessante feiten bij elkaar geharkt.

III.
Zelfs aan het slot waagt de ‘biograaf’ zich niet aan een afrondend oordeel, maar kiest hij voor een laatste citaat van de hoofdpersoon zelf, voorafgegaan door een fragment uit een interview met diens weduwe. Jeanne De Belder vertelde in De Morgen waarom de kwestie van het niet mogen tekenen van ‘Kuifje en de Alfa-kunst’ haar Bob uiteindelijk de das omdeed:

‘Mijn man verwerkte die demonstratieve blamage niet; hij die er een leven collegiaal dienstbetoon had opzitten, die zichzelf had weggecijferd tot meerdere glorie van megaster Hergé, werd als een nulliteit geïgnoreerd.’

Een nulliteit? Na 400+ pagina’s had ik zoiets van: Show, don’t tell….


Maandag verder.

zondag 12 januari 2014

Vuurwerk


Er zijn veel opwindende plekken om het nieuwe jaar in te gaan. Maar de eigen huiskamer…? Mijn hart ging er niet sneller van kloppen.

Niettemin opperde S. om de laatste avond van het jaar eindelijk weer eens thuis op de bank door te brengen, met een boek en een wijntje (‘En alsjeblieft geen televisie’). Ze las ‘Expo 58’ van Jonathan Coe en moest regelmatig hardop lachen*, ik gaf ‘De klare lijn en de golven’, de biografie van Ronald Grossey over Bob de Moor, een nieuwe kans. Het boek stelt nogal teleur**, maar was op dat moment wél toepasselijke lectuur - met een hoofdpersoon die twee vingers verliest door (Duits) vuurwerk.

Pagina 426: De Moor laat zich fotograferen ter voorbereiding van ‘Mortimer contra Mortimer’ (1990):


Actuele vraag: gaat de 65-jarige Theo van den Boogaard, meesurfend op de Septimus-golven, zich binnenkort ook in dit soort bochten wringen?





*) En terecht. Een erg vermakelijke roman met een bijrol voor twee op Jansen en Janssen gelijkende agenten.
**) Woensdag meer.

maandag 16 december 2013

Teloorgang



Slotaflevering van ‘Tintin in Amerika’, in Het Laatste Nieuws, 16 december 1942. Tien jaar na de eerste publicatie heeft Hergé zijn ‘kranige reporter’ een veel minder kranig uiterlijk gegeven. Vergelijk de lulganger op de loopplank eens met die stoere kerel (kraag op, de blik omhoog!) in het origineel uit 1932…



…en betreur vooral ook de teloorgang van de expressieve Bobbie.

Het laatste plaatje op de hertekende versie heeft de Tekenaar schaamteloos gekopieerd uit OREILLE CASSÉE:


Het is de s.s. Normandie waarmee Kuifje in 1937 terugkeerde naar Europa. Hergé ziet in 1942 één ding over het hoofd: de luxe oceaanstomer is inmiddels geconfisqueerd door de Amerikanen en tijdens de ombouw naar troepentransportschip door brand verwoest en gekapseisd. Daar bestaat een opwindend filmpje van met een onnavolgbaar dramatisch commentaar (‘Then, during the night, the Normandie met its final doom’), veel gezwollen koperwerk en superbe ladderscènes…


… waarbij dr. Riklin zijn vingers zou hebben afgelikt.

Enfin, het persoonlijke rampjaar 2013, in drie minuten samengevat. Ik dank de A la recherche-lezers die me in het voorbije jaar een hart onder de riem staken en ik dank vooral S. die me, onverhoeds, toch nog een reddingsboei toewierp. Bovenal wens ik u fijne feestdagen. En omdat er geen eind is aan Kuifje: wordt vervolgd in januari 2014.

donderdag 12 december 2013

Happy jump



Vreugdesprong van Kuifje, op 19 februari 1948, in ‘Le temple du soleil’. De verhoudingen lijken niet helemaal jofel - je zou verwachten dat onze held in zijn momentje van blijdschap een tikkeltje hoger reikt dan de borst van de kapitein.

De ‘happy jump’ werd een cliché in de musicals met Gene Kelly, de ‘happy jump freeze frame’ vaste prik in de trukendoos van elke mode- en popfotograaf:


Kuifje sprong overigens eerder - en beter - op 20 april 1939 (in het licht van de historie een erg ongelukkige dag) in Syldavië:


Probeer het maar eens: armen omhoog, linkerbeen naar achter, rechterbeen naar voren en dan drie (3!) maal ‘Eureka’ roepen, in toenemend volume. De verwondering bij Bobbie is goed te begrijpen!

dinsdag 10 december 2013

’t Is gedaan!


Ik herlas ‘Le temple du soleil’ en liet me, in het slotstuk, weer blindelings meeslepen door de wanhoop van de kapitein:


Jamais je n’ai touché à ce point le fond du désespoir…

Horen we hier nog wel de oude zeebonk Haddock of verkeren we met Ferdinand Bardamu/Céline op een krakkemikkige schuit richting de Congo?

De oude Nederlandse vertaling is niet minder fraai…


… met dank aan dat pruikerige bijwoord Aldus.

Het fragment verscheen op 11 maart 1948 in het Weekblad. Luttele maanden later had de Tekenaar een korte affaire met een 19-jarige rechtenstudente, Rosane. Hij biechtte zijn avontuurtje op en gleed weg in een gemene depressie - een ‘demon du midi’ zoals hij het noemde in een brief aan Germaine.

maandag 9 december 2013

Dood is de nacht


Met een eclatante kater voor de buis - documentaire over de vorig jaar overleden Jeroen Willems. De ode aan de diep ongelukkige acteur en zanger werd nogal ontwricht door het pathos waarmee zijn vrienden uit de theaterwereld hem herdachten (‘Jeroen kon alleen spelen met al zijn zenuwen open…’).
‘Actreutels,’ gromde S.
Maar Willems’ geweldige vertolking van de liederen van Jacques Brel verdoezelde met gemak het ongemak.

Van een ode aan de acteur naar een ode aan de nacht was daarna een kleine stap:


Fragment uit: Le temple du soleil (1969). Het vuur knispert, Kuifje maakt zijn geweer schoon en de jonge appelsienenventer Zorrino brengt zijn Ode à la nuit (tekst en muziek: Jacques Brel). Hij zingt met zo’n heldere sopraanstem dat de Peruaanse kippen er vierkante eieren van gaan leggen.

Le serpent dort
Sur l'arbre mort
Que le temps mord
Morte est la nuit


En dood was de nacht. We namen een paracetamolletje en gingen maar eens vroeg naar bed.

dinsdag 3 december 2013

The Mummy Returns


I.
En wie hebben we hier?


Het is Alain Baran, professioneel danser bij het ‘Ballet du XXe siècle’ van Maurice Béjard, halverwege de jaren zeventig in Brussel.
Na zijn danscarrière treffen we hem op Zaventem:


… als secretaris van Hergé.

II.
Kunnen we, in de zee van biografische aantekeningen, een restaurantrekening uit december 1977 van een tikkeltje meer context voorzien?

Boekhouder Philippe Goddin biedt in zijn vuistdikke ‘Levenslijnen’ geen soelaas, voor een mogelijk antwoord moeten we bij Benoît Peeters zijn. In zijn ‘Fils de Tintin’ schrijft hij over de moeizame start van Alain Baran als de nieuwe secretaris van Hergé.
Baran begon zijn werk aan de Louizalaan op 4 januari 1978. De Tekenaar had hem de baan aangeboden tijdens een lunch, schrijft Peeters,

‘in een van de beste restaurants van Brussel, La Cravache d’Or’.

Rekening houdend met het tijdpad: 16 december 1977?

III.
Februari 1979: Abel Bernard, topkok van La Cravache d’Or, krijgt voor zijn kookkunsten van GaultMillau een ‘Clé d’Or’ waarna Kuifje hem een ‘Gouden Hart’ bezorgt, met de felicitaties van Hergé:


Lang kan de Franse chef de cuisine er niet van genieten, hij overlijdt niet heel veel later. De tekening werd begin dit jaar in Parijs geveild voor € 84.629. Voor die prijs heb je ook zomaar tien kilo excellente witte truffels.

IV.
Joost de Vries beklaagt zich deze week in De Groene Amsterdammer over vuistdikke biografieën waarin de nadruk ligt op onbekende logistieke bewegingen, financiële situaties en uitvoerige correspondenties. Daarin wordt, volgens de schrijver, de geest van de hoofdpersoon niet levend gehouden, maar het onderwerp juist gemummificeerd.


Tachtig jaar nadat zijn geesteskind als mummie dreigde te eindigen, is het Hergé zelf die we diep in de zwachtels hebben gedraaid.