maandag 25 september 2017

De schaduwzijden van Île Noire


I.
Nieuw persbericht van Catawiki (KLIK!), over de opbrengst van het verknipte ÎLE NOIRE-album. Dat zou zijn afgetikt op 68.501 euro. Catawiki-medewerker Patrick Vranken is desondanks niet helemaal tevreden:

Ondanks dat er vanuit heel Europa werd geboden, bracht het album uiteindelijk toch iets minder op dan verwacht.

Er stonden dan ook iets minder ‘handgeschreven opmerkingen’ in dan de stripboekenexpert beloofde.

Enfin, van de kant van het online veilinghuis heb ik niets meer vernomen, dus hoogste tijd om deze hele kwestie onder het tapijt te schoffelen. Maar met ÎLE NOIRE (het avontuur, niet dat malle album) zijn we nog lang niet klaar! Het blijft immers schuren dat de Meester zijn vroege kunstwerkje zomaar heeft ingeruild voor de harkerige versie van Bob de Moor. ‘Verbeterd en modern’, het zal wel. Maar beslist ook esthetisch imperfect.

II.
De uitsmijter van het Britse avontuur, in de kleurenversie van Hergé:


Onze held keert huiswaarts in een toestel van de Sabena dat we zullen terugzien in SCEPTRE. Die link met het volgende album gaat verloren in de versie van Bob de Moor:


Zoals we heel veel meer moeten missen: van de verfijnde lijntjes van Hergé tot de geloofwaardigheid van deze laatste gag. Moeten we nu heus geloven dat de detectives staan opgesteld achter een Trident-straalvliegtuig en dat de jetblast van de drie straalmotoren slechts hun hoeden verplaatst?

III.
Het karakteristieke Sabena-toestel van Hergé is overigens een driemotorige Savoia-Marchetti S-73P. In de oerversie van ÎLE NOIRE heeft het toestel het registratienummer OO-AGY, maar voor een bijzondere geschiedenis moeten we bij een van Sabena’s andere Marchetti’s wezen: de OO-AGP. Op 4 januari 1937 doet zich aan boord daarvan een gruwelijk incident voor:


Maar is deze ongelukkige wel gesprongen?


De kwestie beheerst dagenlang het nieuws in België – en onze Tekenaar moet er beslist kennis van hebben genomen. Zou hij heel even aan de arme Wenner gedacht hebben toen hij in december 1938 dít tekende?



zondag 24 september 2017

SCOOP ! De fabeltjes van Catawiki



Daar is ie weer, de verknipte ÎLE NOIRE. Ik was er wel klaar mee - maar dankzij een formidabele scoop van een dito Hergé-nieuwsbrief weten we inmiddels dat het hele zaakje stinkt als een Arabisch olieveld.

Voordat we ingaan op de spectaculaire nieuwe ontwikkelingen, nemen we de kwestie nog eens stap voor stap door.

1. Catawiki krijgt een opmerkelijk kaveltje toegestuurd: een kapotgeknipte ÎLE NOIRE. Onverkoopbaar lijkt het, of toch niet…?

2. Het blijkt niet zomaar een album, maar één van de zogenaamde éditions alternées uit 1943! Daar zijn er destijds slechts tien van gedrukt. Om het nog exclusiever te maken: er zijn nog maar drie exemplaren van ‘bekend’. Maar wat werkelijk bijzonder is: het album is door Hergé zélf verknipt. Daarmee is het alleszins een opmerkelijk kavel.

3. En... daar had het ook bij moeten blijven. Aangeboden: zeer zeldzaam exemplaar van ÎLE NOIRE. Verknipt, maar deze beschadigingen zijn hoogstwaarschijnlijk – en om onduidelijke redenen – aangebracht door Hergé.

4. Dan gaat het mis. Men gaat fabuleren over wat het zou kunnen zijn:

Stel je toch eens voor dat dit album vol had gestaan met gecorrigeerde plaatjes en handgeschreven opmerkingen? Dan was het niet zomaar een door de Tekenaar verknipt boek, nee, dan was het niets minder dan ‘een werkdocument om een moderne versie van het originele album voor te bereiden’.

Mooie fantasie: zoiets kan zomaar een ton opbrengen!

5. Nu voltrekt zich iets absurds. Bij het veilinghuis is men blijkbaar gaan geloven in het fabeltje. Medewerker Patrick Vranken begeeft zich op glad ijs, gooit zijn integriteit te grabbel en jokt in een persbericht over het album dat het ‘vol staat met gecorrigeerde plaatjes en handgeschreven opmerkingen.’ De pers neemt het massaal (tot aan Le Figaro) over.

Zou Vranken geschrokken zijn van wat hij heeft aangericht? Zoals we al hebben gezien: ‘vol met handgeschreven opmerkingen’ is een verzinsel. Het album bevat één (1!) notitie, iets wat eenvoudig te verifiëren is - en dat maakt Vrankens gejok zo bizar (en, dat ook: naïef).

6. Maar hoe zit het nu met die ‘gecorrigeerde plaatjes’ die van dit album een werkdocument zouden maken? Meer nog: een uniek album waaruit blijkt hoe perfectionistisch Hergé was. In de uitvoerige kaveltekst wordt daarover onbekommerd verder gefabuleerd. Kijk eens goed naar deze kavelafbeelding:


En let vooral op de verknipping op de rechterpagina, derde strook. Volgens de kaveltekst heeft de Tekenaar een venstertje gemaakt dat de aandacht zou moeten leggen op een ander plaatje op de linkerpagina:


Bent u daar nog? Ik citeer even uit de Engelstalige kaveltekst:

‘On page 4 we see Tintin escaping from the train coupé, as the detectives fell asleep ; but, Hergé asks himself, where is Milou (Snowy) ...? When we turn to page 5 of the "alternate version", we see that the scène has been highlighted by the cut-out.’

Mooi bedacht natuurlijk (men weet zelfs feilloos wat Hergé zichzelf afvraagt...) maar slaat het ook ergens op?

7. Misschien heb ik te weinig fantasie, maar bij deze verknipping...


... denk ik beslist niet aan een cut-out die een ander fragment highlighted. Ik denk alleen maar: Hergé heeft Jansen en Janssen uitgeknipt. En dat hééft hij ook, kijk maar:


De geestelijk vader van Kuifje heeft helemaal geen venstertje geknipt om de aandacht te leggen op een andere scène. Nonsens! De Tekenaar heeft het detectiveduo uitgeknipt en in een schriftje geplakt.

8. Waarmee we zijn waar we wezen moeten: de prachtige scoop in de 16e editie van de onder liefhebbers zeer gesmaakte nieuwsbrief ‘De Grote Kraakvis’. De auteur, Kuifje-expert bij uitstek Jan Aarnout Boer, herinnerde zich hoe hij ooit bij een Casterman-medewerker een mapje onder ogen kreeg met knipsels uit een ÎLE NOIRE-album: zeven pagina’s, onder de titel: ‘Les découpages de L’Île Noire’. De Grote Kraakvis-man heeft er destijds, in 2003, foto’s van gemaakt die ik onderaan dit blog allemaal heb overgenomen.

9. Is dit mapje dan het echte ‘werkdocument’ – vol met aantekeningen en correcties? Nee, zo eenvoudig is het niet. Want ook hier geen aantekeningen en geen verdere aanwijzingen. Er zijn 31 plaatjes uit het Catawiki-album geknipt, op 19 daarvan staat Bobbie, op 6 staat Kuifje. Maar, zoals de Kraakvis-auteur opmerkt: ‘Wat zegt dat?’ En ook: ‘Mijn conclusie is dan ook: de achtergrond van de knipseltjes uit het album is mysterieus, maar wat de verklaring ook is, het heeft niets te maken met het werk van Hergé om het album aan te passen.’

10. Slotconclusie: het album dat Catawiki vanavond afhamert, is wat het is: een verknipt album. En alleen op basis daarvan had het mogen worden aangeboden. Hoe dan ook is het een bijzonder album, maar het online veilinghuis lijkt zich vergaloppeerd te hebben door de pers te misleiden (‘vol met… handgeschreven opmerkingen’) en te fabuleren over de aard van de verknippingen (‘werkdocument’, ‘gecorrigeerde plaatjes’).

Enfin, eerder merkte ik hier al op dat ik, ondanks incidentele (soms harde) kritiek, het Catawiki-initiatief een warm hart toe draag. Ik snap alleen niet zo goed waarom het bedrijf zich in dit wespennest heeft gestort. Wat het extra pijnlijk maakt: als er morgen een persbericht uitgaat over het verloop van deze veiling, waarom zouden we dat persbericht dan nog wél geloven?






donderdag 21 september 2017

Het gejok van Catawiki & de schalksheid van Hergé


I.
Hoe zet je een smartelijk beschadigd, maar niettemin zeer zeldzaam Kuifje-album in de markt? Laat dat maar over aan de rabbelaars van Catawiki! Daar wilde ik het verder bij laten - tot het telefoontje van een licht aangeschoten D. die niet onder stoelen of banken stak hoe jaloers hij in wezen is op de lepe marketing van het online veilinghuis. Je moet, volgens hem, toch maar het lef hebben om een bedorven album met zoveel panache te presenteren!

Mijn vraag of het niet juist onzinnelijk is om zo ongegeneerd te jokken in een persbericht (‘Duurste Kuifje-stripboek ter wereld’, ‘vol met gecorrigeerde plaatjes en handgeschreven opmerkingen’), wimpelde hij af: ‘Je onderschat hoeveel sufferds er buiten jouw bubbel bereid zijn om een fors bedrag te betalen voor een mooi verhaal.’

Zou het heus? Ik kon het me niet voorstellen - en ik wílde het ook niet. Bovendien: ik was er wel weer klaar mee. Laten we ons, in onze bubbel, fluks wenden tot zaken die dit korte leven wél de moeite waard maken.

II.
De Berlijnse schilder en karikaturist Barlog krijgt ongemakkelijk bezoek in zijn atelier:


Een kaderdoorbrekende situatie waar overigens ook Onze Tekenaar ervaring mee heeft:


Barlogs cartoon komt uit de UHU, populair tijdschrift uit de jaren van de Weimar-republiek. De illustrator voert hier een gedistingeerdere pen dan in zijn werk voor Der Heitere Fridolin:


Ja, het is alleszins een bijzondere snuiter, deze Ferdinand (Wladislaus) Barlog:


In 1940 werd hij nog zomaar een vermogend man met zijn strip ‘Die 5 Schreckensteiner’ waarvan er 3,5 miljoen over de toonbank gingen. Maar na de oorlog kwam de tekenaar amper nog aan de bak. In ’53 emigreerde hij gedesillusioneerd naar de VS, twee jaar later was hij dood.

Enfin, maandag vroeg ik wat de schalkse connectie is tussen onze Georges en deze Ferdinand. Daar kwam geen enkel antwoord op, dus laten we snel naar deze tekening kijken uit Barlogs gouden jaren (Berliner Illustrierte Zeitung, 1939):


In maart 1943 kopieerde Hergé dit plaatje voor het RACKHAM-avontuur in Le Soir. Hier zien we de ingekleurde albumversie:


Barlogs keldercafé vol snuisterijen is een snuisterijenwinkel geworden. En zie hoe schalks de Tekenaar het hele zaakje (zonder schaar...) heeft verbouwd! Kijk mee over zijn schouder en ontdek welke elementen hij heeft behouden en welke zijn aangepast.

III.
We zijn nog niet klaar, want wat hebben we hier?


Prentje van een andere snuisterijenwinkel, ditmaal uit een klassiek jeugdboek (1928) dat in Nederland door hele generaties met rode oortjes is verslonden: Het geheim van het oude horloge, vervolg op het succesvolle De ongeloofelijke avonturen van Bram Vingerling. In 1934 verscheen van dit tweede deel de Duitse vertaling:


Abenteuerliche Sommerferien-Geschichte über den holländischen Schüler und Erfinder Bram Vingerling, einen Wecker, der auf geheimnisvolle Weise allerhand in Bewegung bringt, und ein wundersames Pulver, das komprimierte, radioaktive Kraft enthält.

En wie verzorgde dat fraaie kleurenprentje naast het titelblad?

Juist. Barlog!

Ik wil maar zeggen: je hoeft geen ton neer te tellen voor een goed verhaal.

dinsdag 19 september 2017

‘Meekijken over de schouder van Hergé’



Wat hebben we hier? Verknipte ÎLE NOIRE in een édition alternée, stammend uit november 1943 - de tijd dat de Tekenaar gedwongen werd zichzelf vragen te gaan stellen over zijn lucratieve medewerking aan de door de nazi’s gekaapte Le Soir*.

Het boek (‘drie exemplaren bekend’) wordt zondag afgehamerd bij Catawiki: de veilingmeester zet in op een opbrengst van minstens zeventigduizend euro. De uitgave, lezen we in het persbericht, is uniek en ‘door Hergé gebruikt als werkdocument om een moderne versie van het originele album voor te bereiden. Het album in de veiling staat dan ook vol met gecorrigeerde plaatjes en handgeschreven opmerkingen.

‘Vol met handgeschreven opmerkingen’ lijkt me niet goed vol te houden: want ben ik nou gek of zie ik slechts op één (1) pagina een kleine notitie?

En de ‘gecorrigeerde plaatjes’ zijn voor een buitenstaander natuurlijk gewoon slordig knipwerk…


…waarbij, toegegeven, de schaar is gehanteerd door niemand minder dan de meester zelve. Toch? In de kaveltekst wordt op die assumptie in elk geval uitnemend ingespeeld: dit is niet zomaar knipwerk, maar knipwerk dat ons ‘getuige maakt van het perfectionisme van Hergé.

Ook de laatste opmerking om kopers over de streep te trekken, is beslist weergaloos:

‘Als u ooit over de schouders van Hergé hebt willen meekijken en getuige zijn van zijn creativiteit, dan is dit uw kans de hand te leggen op een historisch document!’

Opgelet: Daniel Maghen verkoopt volgende maand in zijn galerie de originele kappersschaar waarmee de Tekenaar destijds heeft gewerkt - tenzij Nick Rodwell, die beweert dat het knipgerei uit de kluis van Moulinsart is ontvreemd, roet in het eten gooit.


*) ‘Ik ben al bij de verraders ingedeeld… ik zal worden gefusilleerd en opgehangen,’ schreef hij in september 1943 een tikje laconiek aan Charles Lesne van Casterman.

maandag 18 september 2017

Een schalkse connectie met Hergé


Uitnodiging voor de vernissage van de Rita McBride-expo in Wiels – althans, een bevriend galeriehouder bood me een lift aan naar Brussel. En een etentje. En een overnachting. Saperlipopette, ik werd verwend!

Wat McBride betreft, haar sculpturen en installaties heten een ‘subtiele en geestige kritiek’ te zijn ‘op de genoegens en de grillen waarmee de zenuwinzinking van het modernisme gepaard gaat’. Ze lijken erg op hun plek in de modernistisch industriële omgeving van de voormalige bierbrouwerij*, maar laten we zeggen dat ik de ontregelende elementen in het late menu dégustation aantrekkelijker vond.

Plaatje!


Der heitere Fridolin, Halbmonatsschrift für Sport, Spiel, Spass und Abenteuer.

In de verzavelde Blaesstsraat vond ik de volgende ochtend, de buik nog pasteus van de Coeur de cabillaud-risotto, een setje willekeurige nummers van dit Berlijnse kindertijdschrift uit de jaren twintig. Qua vorm en sfeer doen ze beslist denken aan de Petit Vingtième:


... maar inhoudelijk (een allegaartje van Afrikaanse avonturen en moderne technologie) lijkt het allemaal net iets pittiger gebracht dan de dorre, ultra-katholieke verstrooiing die we, rondom het vroege werk van Hergé, bij de Brusselaren aantreffen.

Verlokkend drukwerk met een (voor de slechte staat) veel te hoog prijskaartje waarvoor ik de platvink uiteindelijk niet wilde trekken. Maar zie: weer thuis ontdekte ik dat alle jaargangen (KLIK!) digitaal zijn door te bladeren.

Robuust zijn de vele bijdragen (zie ook hierboven) van huisillustrator Moritz Pathé:


Dat de schilder en tekenaar jaren later ook het dubieuze werkje ‘Hitler-Jungen erleben die Wehrmacht’ illustreerde, zien we maar even door de vingers, juist omdat zijn illustraties voor de vele Afrika-reportages in de Fridolin zo opvallend respectvol zijn:


Hij maakte zijn schetsen dan ook op locatie:


Voor de ongemakkelijke clichés die we kennen uit CONGO moeten we ons wenden tot zijn thuisblijvende collega’s:


Met deze karikaturen dient zich overigens zomaar quizmateriaal aan voor de gepokt en gemazelde liefhebber! Tussen de maker ervan en de geestelijk vader van Kuifje bestaat een schalkse connectie. Welke is dat? Antwoorden voor donderdagochtend 09.00 uur naar het gekende mailadres.


*) Ik heb hier vaker over Wiels geschreven - zoetjesaan behoort het tot mijn favoriete kunstlocaties. Voor bezoekers met hoogtevrees is er bovendien als extra attractie het schrikwekkendste trappenhuis van de Benelux.

donderdag 14 september 2017

Wat Hergé bespaard bleef


Stellig had ik me voorgenomen om in de 11e jaargang van dit blog eens géén aandacht te besteden aan het deplorabele PICAROS. Maar zie: lezer Ivo Mans gooit al meteen roet in het eten met een vondst waar ik niet omheen kan*:


Ietwat dubieuze publiciteitsfoto voor de Continental Edison-televisie op de karakteristieke tulpvoet, een toestel dat we onverwijld herkennen uit het lelijkste plaatje uit PICAROS:


Overigens betreft het een zwart-wittelevisie (Ivo Mans: ‘Waarschijnlijk is ie door Trifonius omgebouwd naar kleur’) en kun je er, zo leert Google, beslist méér mee doen dan naar de geagiteerde riedels van generaal Tapioca kijken:


Pong!

Had, zo vroeg ik me af, Hergé zijn laatste volledige avontuur nog verder kunnen moderniseren door niet alleen zijn held in een bruine spijkerbroek te hijsen, maar ook de Kapitein zo’n beetje het meest nerdy videospelletje te laten spelen?

Het scheelt een haartje.

PICAROS ging in september 1975 van start in het Weekblad, de eerste home consoles waarmee Pong op de eigen televisie kon worden gespeeld, kwamen eind december op de (Amerikaanse) markt.

Waarna het nog dertien jaar zou duren alvorens dit in de winkel lag:


De jonge reporter in zijn allereerste videogame. Ik keek naar de gortige beelden (KLIK!) en kwam tot de slotsom dat de gekwelde Tekenaar toch ook veel bespaard is gebleven.


*) En waar ik mee wegkom. Uit een mail van TINTINPERDU-lezer Frank Bakker, die zich op hilarisch omslachtige wijze beklaagde over mijn categorische zomerreces, maakte ik terloops op dat ik een vergissing heb gemaakt: dit is de 10de jaargang, niet de 11de.

maandag 11 september 2017

Het verraad van Zonnebloem


Arturo Benedetto Giovanni Giuseppe Pietro Archangelo Alfredo Cartoffoli (van Milaan) rijdt de ontvoerders van Zonnebloem klem:


Een plaat die deze week precies 62 jaar geleden* werd gepubliceerd op de achterzijde van het Weekblad.

Let op die fijne woordenwisseling in de onderste stroken waarin de kidnapper van de professor (‘Tournesol? Wat is dat? Een plant? Een beest? Een chemisch product?’) met naamsverbasteringen (Tournedos! Tournebroche!) zijn onschuld speelt. Dat doet hij beslist overtuigend.

Met wat volgt, verspeelt de Tekenaar dan weer een deel van zijn krediet:


De kofferbak was leeg, maar uit het niets herinnert onze jonge held zich dat de voorbank van de Chrysler verhoogd was: daaronder moet Zonnebloem hebben gelegen!

Alleszins is zo’n schielijke inval wat zwakjes, maar ook weer niet zo flauw als de narratieve déconfiture die de Weekblad-lezer in de laatste week van het jaar voor de kiezen krijgt:


Om zijn verhaal op de rails te houden, laat Hergé de kolonel tegenover Bianca Castafiore uit de school klappen. Sponsz geeft daarbij zó gedetailleerd zóveel informatie prijs dat het hele fragment overhelt naar een parodie op de voortbrengselen van de pulpindustrie.

Enfin, een jaar later, op 26 september 1956, zal Georges samen met zijn Germaine naar Genève vliegen voor de officiële presentatie van AFFAIRE TOURNESOL. Veel minder bekend is dat diezelfde avond Zonnebloem zijn opwachting maakt in de populaire Franse talkshow ‘Un Homme, Une Histoire’:


… waarin hij zich, voor een miljoenenpubliek, van de onsolide afwikkeling van het nieuwste avontuur zal distantiëren.

De Tekenaar, die twee dagen later door Bob de Moor over deze félonie wordt geïnformeerd, verliest zich naar verluidt in een schuimbekkende kolere, zint op wraak en zal deze uiteindelijk ook, middels de zoon van emir Mohammed Ben Kalisj Ezab, op 15 mei 1957 serveren:




*) Een doorgewinterde tintinoloog viert elke dag een feestje!

donderdag 7 september 2017

De aap van Hergé (2)


Een PERDU-lezer* raadde me, naar aanleiding van mijn blog van maandag, de verhalenbundel ‘Death by Pastrami’ aan. Dat boek laat ik beslist niet aan me voorbijgaan, al was het maar vanwege de huiveringwekkende substantie van de titel. Maar eerst… dat waarmee de Tekenaar me als argeloos jochie liet beven als een juffershondje:


Het onheil neemt de trap, in ÎLE NOIRE. Ruim een halve eeuw later mis ik de ongecompliceerde kinderbibber en stel ik slechts nuchter vast dat Hergé hier zijn ergste nachtmerries verbeeldt.

Ook bij het plaatje dat volgt, verknoeit het belezen oog van de vijftiger de beoogde schrik:


Ik kijk naar die rare voetjes van Ranko en denk: Gotlib!

Wat het restje spanning ten slotte om zeep helpt, is het afgekapte tekstballonnetje. Dit is het onverknipte origineel, uit de Petit Vingtième van 10 februari 1938:


De letteraar van de oorspronkelijke Nederlandse uitgave ontkent met zijn (lelijke) woordafbreking (…goril-la…) de onuitgesproken regel dat er ook buiten de beeldkaders een wereld is. Ik bedoel dat de gedachte aan een nutteloos (want ongevuld) deel van een tekstballon…


… me nogal in de weg zit bij het smaken van de suspense.

Enter Scott McCloud die in ‘The Sculptor’ geen half werk valt te verwijten met een consequente invulling van zijn onvoleindigde tekstballonnen:




*) Volgende week een grotere greep uit de zomerse lezerspost.

maandag 4 september 2017

De aap van Hergé (1)


Goede vakantie gehad? Jawel. Nog iets meegemaakt wat méér was dan een trivialiteit? Amper. Wel glipten we, op de enige regenachtige dag in Brooklyn, een filmtheater in voor een ingelaste Big Screen Classic Double Bill – ‘King Kong’ (de klassieker uit 1933) plus de sequel ‘Son of Kong’ op een groot doek dat overigens minder groot was dan ik had gehoopt.

Niettemin bleek het gedateerde effectbejag en het nadrukkelijk acteerwerk op groter-dan-televisieformaat opvallend goed verteerbaar. Over King Kong is intussen wel genoeg verteld en geschreven (vergelijk de tragische antiheld Kong met de tragische antiheld Hergé, wat valt daar nou nog over te zeggen?). Maar over het vervolg wil ik nog wel iets kwijt.

Ik wist niets van Son of Kong en meende dat het een surrogaat was van een concurrerende studio. De film is evenwel van dezelfde makers (Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack) - na het enorme succes van het origineel in grote haast gedraaid en in hetzelfde jaar uitgebracht (wat een knappe prestatie is).

Op de keper beschouwd is het veertig minuten melodrama en veertig minuten stop motion-spektakel (inclusief een troep onhebbelijke dino’s) - en eigenlijk vooral leuk met de avonturen van Kuifje in het achterhoofd.

Er is een vrachtschip en een kapitein die te veel drinkt:


Er is een rare Chinees met wie het bijzonder slecht kersen eten is:


...en bovenal is er de zoon van Kong die, veel meer dan zijn vader*, lijkt op Ranko, de grote aap uit ÎLE NOIRE.

Tijdens een vrolijk absurde passage (KLIK!) is het onmogelijk om niet ook aan deze scène te denken:


Ranko kneust zijn arm, Kuifje vouwt een mitella.

In Son of Kong omzwachtelt de held de gekneusde vinger van zijn belager:


Heeft de twintiger Hergé de film gezien? Goed mogelijk, want in 1934 kreeg het vervolg op King Kong een grootse release in de Benelux:


Hier op een tikkeltje misleidende advertentie uit de Haagse Courant (augustus 1934), waarbij de aap niets minder dan het Vredespaleis belaagt...

Enfin, er was in de foyer van dat Amerikaanse filmtheater nog een nazit met een filmprofessor die als twee druppels water op IJf Blokker leek. Maar S. had honger. Ze trok me mee naar een kosher deli voor een broodje pastrami dat me de rest van de late middag en avond opbrak.


Donderdag verder.

*) Terecht merken de auteurs van ‘Wie is wie in de wereld van Hergé’ op dat de Yeti uit TIBET qua karakter meer lijkt op King Kong dan Ranko.

donderdag 15 juni 2017

‘Op het einde poetste hij alles weg’



Hergé in januari 1976, tijdens een feestje voor de 50-jarige Bob de Moor.

Ik kan onmogelijk naar de tweedeling van die nogal boerse kop kijken zonder herinnerd te worden aan de klassieke uitblinkers van het Franse filmdoek.

Ter verduidelijking ruilen we de conflicterende gezichtshelften even om:


Links de berusting, met het dromerige oog van Patrick Dewaere boven het zuinige mondje van Bertrand Blier. Rechts de vermoeidheid en de vertwijfeling van de doodzieke komiek Bourvil, in zijn laatste, serieuze rol.

Pierre Assouline wijdt in de inleiding van zijn biografie een mooie paragraaf aan de Tekenaar in de herfst van zijn bestaan, over de constructie en de reconstructie van zijn leven: ‘Op het einde poetste hij alles weg’.

Maar de kiekjes blijven ongepolijst:


Zij was er trouwens ook, in dat scharrige café in de Landhuisjesstraat in Ukkel:


Voormalig studiomedewerkster Fanny, 42 jaar jong – hier met de schalkse ogen van Audrey Tautou.

En met de mooie dochter van Albert en Georgette Vlamynck sluiten we de tiende jaargang af. De Tintinperdu-taveerne gooit haar deuren in het slot. De losse eindjes gaan even in de vriezer, ik ben tot begin september afwezig.

Voor een drankje en een praatje blijft het feestlokaal van de Rodwelletjes als vanouds geopend: telefonisch een tafel reserveren via toestel 421. Bovenal wens ik de lezer een fijne zomervakantie!