zaterdag 16 december 2017

Ondertussen, in het ouwelullenkabinet


Albumpromotie in de Volkskrant, 19 december 1953:


Andere kost dan het gewone naargeestige beeldromannetje…

Amper een maand later, op 16 januari 1954, komt dezelfde krant met een bijna paginagrote afrekening met de ‘reusachtige hoeveelheid rommel waarmee de krantenkiosken worden overspoeld’ – geïllustreerd met dit wanproduct van de misselijke uitgeverij Dupuis:


Enfin, sinds deze week zijn de Nederlandse dagbladen Trouw, de Volkskrant en Het Parool digitaal beschikbaar (tot 1995) in de onvolprezen database Delpher* - voor de liefhebber de ontsluiting van een reusachtige hoeveelheid artikelen over het beeldverhaal.

Ik moet met alle macht de neiging onderdrukken om hier uitgebreid te gaan citeren uit interviews met Hergé:


...uit oude albumsignalementen met wonderlijke spelfouten:


…of uit dit curieuze portret van de 38-jarige Willy Vandersteen:


Met de juiste zoektermen verzeilen we zomaar bij Ger Apeldoorn die verslag doet van de Stripdriedaagse (‘een snikhete zaal vol mensen die elkaar heel oude Kuifjes voor 300 gulden verkopen’), bij Martijn Daalder die veertiger Jean Giraud interviewt (‘Goed slapen, goed eten, geen drank, sigaretten, drugs of koffie’ is tegenwoordig – 1981 – zijn devies) en bij de 41-jarige Peter de Smet die weliswaar blij zegt te zijn met zijn Stripschapsprijs 1985, maar, klaagt hij, ‘het betekent ook dat ik definitief ben toegetreden tot het ouwelullenkabinet’.

Klagen doet ook deze Kuifoloog, en wel paginagroot in het Parool van juni 1977:


Har Brok: ‘Vooroorlogse Franse zwartwit albums kosten zo’n vijf, zeshonderd gulden, en dat gaat mij echt te ver!’

Maar niemand kan, doorheen de jaren, zó uitgesproken mopperen als Hans Kresse:


Een rotberoep, dat is het. En bovendien niet van gevaar gespeend:


Tot slot nog dit:


Onze Tekenaar op de voorpagina – pontificaal bovenaan! – van de Volkskrant, vijf maanden vóór de maanlanding, op 8 februari 1969. Met, zie het onderschrift, enkele opmerkelijke titels. Ik gok op uitgaves van uitgeverij Casperman.


*) Voor de datebase van Delpher: KLIK ! Voor de recent gedigitaliseerde versies van Het Parool, de Volkskrant en Trouw: vink na een zoekopdracht links onderaan de pagina ‘Toon alleen op 11 december 2017 toevoegde kranten’ aan.

donderdag 14 december 2017

Een belachelijke nabootsing van een juskom


Hamerdagje bij Huberty & Breyne, 17 december in Brussel. Met de 82 haastig afgevoerde Uderzo-kavels (gestolen spul, volgens de 90-jarige tekenaar) een tikje korter dan gepland, maar niettemin is het plezierig bladeren (KLIK!) in de catalogus met originelen.

Er liggen weer wat Zonnetempel-kruimels voor het oprapen:


…benevens een resem vergeelde Franco-Belgische klassiekers (met een eenzame Will Eisner als uitzondering).

Mijn oog bleef haken aan de stramme Blake & Mortimer-plaat van Bob de Moor, uit het dito SATO-album:


Let vooral eens op het gekoekeloer in de eerste strook, daar is iets mee:


Rechts de professor in SATO, links een soortgelijk fragment uit AFFAIRE TOURNESOL.

Ik snap de bedoeling: we moeten niet alleen de verborgen gluurder in het struikgewas zien, maar ook wát hij ziet. Blijkbaar is dat lastig vorm te geven. Hier staan de gluurders in beide gevallen zo onverhuld op de voorgrond dat ze ervoor lijken te staan. Het zijn voorbijgangers die kijken naar een stripplaatje.

Overigens mag Uderzo zondag in Brussel de Grote Afwezige zijn, die andere Tanguy en Laverdure-tekenaar is dat niet:


VOV ! TOUCHÉ ! Lawaaierig pilotengehannes van Jijé – over zijn latere, grimmige pennetje heb ik me hier heel veel jaren geleden al verwonderd.

Met een richtprijs die de helft lager ligt (€ 2000), zijn van de tekenaar ook diens joyeuzere lijntjes uit Blondie en Blinkie te koop:


De lol spat er nog vanaf - en de koper krijgt er een hele vloot bezopen ruimtescheepjes* bij plús veertien (14!) nietjes. Ik zeg: doen.


*)Jetez un regard sur ce pastiche ridicule de saucière,’ wordt in de onderste strook fijntjes opgemerkt: ‘Kijk eens naar die belachelijke nabootsing van een juskom’.

dinsdag 12 december 2017

Een Boeing bomvol tekenaars


New York, eind april 1972. Hergé is één van de eregasten op het Eerste Internationale Stripcongres:


Maar waar kijkt hij nou zo ingespannen naar?

Aha, naar de jonge Hermann die zeiksnor Barney Jordan portretteert:


Krek nadien mag de Tekenaar zelf ook aan de slag - en je zou hopen dat hij, met een vals knipoogje naar zijn collega, die andere Kapitein tekent. Maar nee:


Beelden uit het reisverslag dat bijna-tachtiger Hermann vorige week in twee delen op zijn YouTube-account plaatste*. Het is een curieus filmpje met vrolijk onbeholpen begintitels van Loro en Gigi en commentaar van Claude Moliterni en Jean-Pierre Dionnet.

Kijk minimaal (KLIK!) naar de openingsminuten:


…met een uitgesponnen gastrol voor deze Boeing bomvol opgetogen striptekenaars die het straks allemaal, weten we weer uit andere verslagen, een lange week formidabel op een zuipen gaan zetten**.


*) Met dank aan Ivo Mans voor de link.
**) Enkel de sukkelende Hergé heeft een drankverbod van zijn artsen en zal, volgens een getuigenis van Weekblad-hoofdredacteur Greg, ‘zoveel vruchtensapjes drinken dat zijn maag het ten slotte niet meer aankan’.

maandag 11 december 2017

Vrouwen die het F-woord niet schuwen


Met S. naar Utrecht, voor de grote overzichtstentoonstelling van Pyke Koch. Diens werk wordt gerubriceerd onder ‘magisch realisme’ – en dat is beslist niet mijn pakkie-an. Maar ik vind Kochs vrouwenportretten fascinerend:


Schildering (uit 1931) van ‘Bertha van Antwerpen’, een tippelaarster die dertig later nog eens mocht aanschuiven op het doek ‘Vrouwen in de Straat’:


Koch hield van dit soort, zoals hij zelf ooit schreef, ‘hard-boiled wijven’, hij geeft ze het aureool van een heilige. Je moet er geen ruzie mee maken, ze schuwen, zogezegd, het F-woord niet, maar de schilder – autodidact nota bene – trekt me weerloos hun ogen in.

Overigens dweepte Koch nogal met de Deense actrice Asta Nielsen, zwijgend sekssymbool in vooral Duitse stomme films uit de jaren tien en twintig:


Koch maakte een portret van haar in 1929:


…luttele jaren voordat de komst van de geluidsfilm haar carrière om zeep hielp. Ze had een mooie stem, maar ze was gewend te praten met haar gezicht, niet met haar mond.

Er is een link tussen Asta en onze Georges, zoals de Tekenaar ook een duister levenslijntje deelt met Pyke Koch. Maar mij lijkt het alleszins verfrissend om hier eens niet te verwijzen naar het universum van Hergé.

We wierpen nog een snelle laatste blik op het Laatste Werk van Koch, een onuitstaanbaar (want in in extenso magisch realistisch) doek, waarna we ons naar het station haastten. Het begon steeds harder te sneeuwen. Was dat eigenlijk nog wel S. die me voorging? Of liep ik achter de yeti aan?

vrijdag 8 december 2017

Hier is iemand nog niet jarig


Hergé, op een bijeenkomst van zijn Britse uitgever in Londen, 1 december 1958:


In het midden zijn vertaler Leslie Lonsdale-Cooper. Rechts, volgens het bijschrift, boekhandelaar G.H. Depotex - een naam om verfresten in op te lossen.
Heeft de kleine man iets gezegd wat verkeerd is gevallen? Want kijk eens goed naar de Tekenaar:


De priemende ogen... Het verkrampte mondje… Georges oogt, zeker ook met zijn opgeschoren zijkantjes, als een bloedlink lid van de meedogenloze Kray-bende: ‘Oi, are you taking the piss out of me, you mugs?!

Op de achtergrond voelt Germaine de bui al hangen. Er gaat weer eens een peuk worden uitgedrukt in een oog. Of eronder. Minstens.

woensdag 6 december 2017

Een zachte vouw in de ziel


Hoe liep het onderwijl af met dat andere malle album: de merkwaardige SOVIETS uit de sixième mille, inclusief ingeplakte signature authentique “Tintin&Milou”? Het is een fremdkörper die op het web niet meer traceerbaar is: bij Catawiki hebben ze ‘m stilletjes afgevoerd van de kavellijst.

Wél onder de hamer ging, afgelopen zondag bij Millon in Brussel, een gesigneerde en genummerde SOVIETS. Richtprijs 20 -25.000 euro. In ‘erg goede staat’, maar geen koper.

Voor de CONGO met het open ruggetje werd dan weer driemaal de minimum richtprijs betaald: € 4.500. Waarmee de toon was gezet (en de trend gevolgd): voor het ‘goedkope’ spul waren voldoende kopers, maar de prijzige en zo wellustig gepresenteerde collectie van ‘Monsieur X’ presteerde matig. Van de vijftien albums in vaak onberispelijke staat (‘Un rare ensemble de qualité !’) vonden slechts zes een koper.

Opvallend vond ik nog wel die € 5.600 die werd neergeteld voor een gesigneerde menukaart met een origineel ontwerpje van Bob de Moor en Jacques Martin:


Kreeftencocktail, lamszadel, foie gras in gelei… Ter gelegenheid van het jaarlijkse bedrijfsetentje wordt er door de studiomedewerkers flink (en flink klassiek) gegeten.

Het is 17 april 1964 en ik vraag me af of Jacques Martin een tikkeltje opgewonden aan tafel schuift. Over vier dagen vangt zijn nieuwe Lefranc-avontuur aan in het weekblad:


Het gaat niet goed met het tijdschrift, de verkoopcijfers dalen (voor het eerst) en hoofdredacteur Marcel Delhaye zit op de schopstoel. Maar dit is beslist een pakkend beeld tussen de notoir onnozele Weekblad-omslagen uit die tijd.

En ik constateer maar weer eens dat het 12-jarig knaapje achter mijn grijzende façade - zo kinderlijk ontvankelijk nog voor de belofte van spanning - een zachte vouw in zijn ziel krijgt.

maandag 4 december 2017

‘Geniaal werd het pas zonder Georges’


Zaterdagochtend in de schoen:


…en in één ruk uitgelezen: de dubbelbiografie van de broertjes Remi – geestelijk vaders van misschien wel de twee beroemdste papieren helden van onze tijd, Kuifje & Kuifje.

Onder de nom-de-plume Hergé (een samenvoeging van beider roepnamen Herwig en Georges) tekende en schreef de Brusselse tweeling uiteindelijk 23 avonturen van deze jonge, stoutmoedige reporters en hun onafscheidelijke hond Bobbie.

Georges overleed in 1983, waarna Herwig de Studio opdoekte en alleen verder werkte aan de voltooiing van ALPH-ART. Het album verscheen drie maanden na zijn plotselinge overlijden (in maart 1989) en heeft inmiddels dezelfde status als Welles’ Citizen Kane en Eliots Middlemarch: tijdloos, geniaal en briljant tegelijk.

Biograaf Grossey gaat uitvoerig in op de kwaliteiten van dit laatste (solo)werk en steekt niet onder stoelen of banken bij wie van de tweeling zijn sympathie ligt:

‘Pas zónder twijfelaar Georges aan zijn zijde kwam de brille van Herwig tot volle wasdom. Dat stemt weemoedig over wat had kunnen zijn en wat nog had kunnen komen.’

Tikkeltje spijtig vond ik overigens dat Grossey ook onevenredig veel aandacht heeft voor de oorlogsjaren. Veel nieuwe feiten haalt hij niet naar boven, hoewel het natuurlijk opwindende leesstof blijft: de angstige Georges die niettemin infiltreert bij het door de nazi’s gekaapte dagblad Le Soir en van daaruit informatie doorspeelt naar zijn broer Herwig in het Belgische verzet. De tweeling ontving er, na de bevrijding, de Orde van Leopold II, het Oorlogskruis en de Medaille van de Weerstand voor. Maar hun weduwen, de vroegere coloristen Fanny en Fannie, weten Grossey te vertellen dat de broers toch vooral trots waren op hun vermelding in de illustere Galerie des herós.

donderdag 30 november 2017

Bob is dood


Bob van den Born is dood – en derhalve vulde ik een rugzak met dagproviand, controleerde de batterijen in de lamp op mijn hoofdhelm en begaf me, met de Fox40 Classic Whistle aan een nekkoord, naar zolder.
‘Als ik zesmaal in één minuut een fluitsignaal geef, weet je dat ik in de problemen zit,’ zei ik tegen S.

Sinds de hele rataplan onder de dakspanten is gaan schuiven, is mijn archief een tektonische no-go-area. Maar ergens – en naar ik hoopte niet op een breuklijn - stond een doos met Professor Pi-bundelingen: Van den Borns tekstloze dagstrips, vol rudimentaire poppetjes die wel uit deegslierten lijken opgetrokken. Zo vurig verlangde ik naar hun gezelschap dat ik mijn leven ervoor op het spel wilde zetten.

Uren later keerde ik terug met slechts dit:


Augustus 1976. Bob van den Born tekent dan al elf jaar geen Professor Pi-strips meer, maar het stripinformatieblad is begonnen aan een herpublicatie. Er staan er drie in dit nummer, nog uit de begintijd dus nog niet zo prachtig vervreemdend als het latere werk. Maar wel leuk.

Overigens vermaakte ik me ook met de ruim veertig jaar oude Strip Top Tien (PICAROS gezakt van 1 naar 7! De Bokkige Bombardon nieuw binnen op 1!), las de boze brief van A. den Dooier over D. Matena (‘Wie is dien vent trouwens? Vast niet veel soeps, want ik ken hem niet!’*), ploegde door een opvallend leesbaar verhaal van Anton Hermus** over autocrashes in het beeldverhaal en werd ten slotte zo weemoedig van dit reclamewerk van Ger van Wulften:


…dat ik toch maar even zesmaal op mijn noodfluitje blies. S. was snel ter plaatse met een vaatje brandewijn.


*) Later bleek A. den Dooier een pseudoniem van Dick Richards.
**) Bij een enkele liefhebber bekend van het private, alleszins hermetischer Kuifje-magazine ‘Het brilliantinepotje’.

dinsdag 28 november 2017

WAARSCHUWING: expliciete beelden


Wat nu weer?!


Eerste kavel op de komende Hergé/Kuifje-veiling van Catawiki. Een opgelapte SOVIETS uit de sixième mille, met, en ik citeer nu de kaveltekst: een ingeplakte ‘signature authentique “Tintin&Milou” (par Hergé et Germaine?)’.

Kun je én beweren dat een signatuur authentiek is én een vraagteken plaatsen achter de makers?

Voor het onversneden spul moet de gebruiker overigens naar Brussel. Zondag gaat daar bij Millon de collectie van ‘Monsier X’ onder de hamer: ‘Un rare ensemble de qualité !’ In de e-catalogus (KLIK!) poseren mooie albums, zelfverzekerd in hun eigen vel…


…ja, opvallend perfect in hun rondingen:


Wie ritsig raakt van deze expliciete beelden, kan koud afdouchen bij kavel 238:


Een CONGO met een open ruggetje – maar hier constateren we dat de krabbels van Georges en Germaine er niet later zijn ingeplakt.

maandag 27 november 2017

Het raadsel van de verknoeide tijd (2)


Punt is: als Hergé de ogen van zijn jonge held verbeeldt met speldenprikken (zoals Tom McCarthy beweert) in plaats van punten, wat is dit dan:


Een speldenprik in een speldenprik, ofwel: een wit gat in een zwart gat...

Waarmee we zomaar verzeilen in een hypothetisch gebied van de astrofysica. Witte gaten fungeren daarin als bruggenhoofd naar een andere tijd of dimensie (lees Radial motion into an Einstein–Rosen bridge van professor Popławski*).

Let wel: de Kuifje op het omslag van BIJOUX is de enige omslag-Kuifje met een opening in het middelpunt van zijn ogen.

Is het toeval dat juist dit album een anomalie binnen de reeks is? Moest ik nu, met andere woorden, analoog aan de controversiële ideeën van Erich von Däniken (‘Waren de goden kosmonauten?’) opschudding gaan veroorzaken met die andere vraag (‘Zijn de ogen van Kuifje wormgaten?’). Of was ik mezelf aan het verliezen in haarkloverij van ongekende dimensies?

Ik dacht aan Wim Noordhoeks ‘Er is geen eind aan Kuifje’ en voor het eerst doorzag ik de portee van zijn gevleugelde woorden. Het is geen aansporing, maar een waarschuwing: in de verste uithoeken van de tintinologie heerst slechts de stilte van de waanzin.


*) Of, iets toegankelijker, De kronieken van Pandarve, van professor Lodewijk.

vrijdag 24 november 2017

Het raadsel van de verknoeide tijd (1)


Uit de oceaan van ongelezen boeken hengelde ik Satin Island van Tom McCarthy. De achterflap beloofde een hoofdpersoon ‘die zijn tijd verdoet’ wat me onmiddellijk voor hem innam. Maar de flaptekst herinnerde me er óók aan dat de romanschrijver McCarthy en de essayist McCarthy een en dezelfde zijn - waarna ik de onweerstaanbare aandrang kreeg om zijn ‘Tintin and the secret of literature’ te herlezen.

De grote halen hierin zijn, vermoed ik, wel bekend. Bij deze nieuwe kennismaking bleef ik hangen aan een kleinigheid.

McCarthy noemt de ogen van Kuifje in een zekere passage geen ‘dots’, zoals gebruikelijk, maar ‘pinpricks’, speldenprikken. Feitelijk maakt dat van het hoofd van onze held een camera obscura – hij ziet niet, maar er valt slechts licht bij hem naar binnen dat de buitenwereld ondersteboven projecteert. Dat beeld wordt niet gecorrigeerd door de hersenen, omdat we moeten vrezen dat er geen hersenen zijn. De camera obscura is immers een lege kast.

Eerder heb ik hier getoond hoe Kuifje bij vermoeidheid zijn puntjes kan sluiten:


Maar... hoe sluit je in hemelsnaam speldenprikken? Moeten we niet bezorgd zijn dat die dichtgroeien? De kwestie steeg me zo boven het hoofd dat ik schielijk terugkeerde naar die kerel die zijn tijd aan het verknoeien was.

Wordt vervolgd

woensdag 22 november 2017

Waarom Kamiel geen schlemiel is



Hergé krabbelt wat, eind jaren vijftig, in een Brusselse boekhandel.

Let op het jochie links op de voorgrond, afgezonderd van zijn klasgenootjes die hem kennelijk liever negeren. Hij lijkt een schlemiel, met z’n veel te grote jas. Maar ondertussen worden in dat koppie een paar interessante afwegingen gemaakt:

Zal er een esthetisch dividend zijn, als ik die tekeningen beschouw als emotionele activa? Hoe groot is überhaupt de kans dat het originele werk van die vent gaat renderen? En als ik met Georgette van de overkant een nieuw leven begin in Nederland, kan ik het dan fiscaal buiten Box3 houden?

Grif beantwoordt de jonge Kamiel deze vragen met een volmondig ‘Ja’. De volgende dag, op het schoolplein, slaagt hij erin alle schetsen van de Tekenaar te bemachtigen, in ruil voor zijn zakgeld, een oude Robbedoes en een pakje Wrigley’s P.K.-kauwgom.

En vanaf die dag zal hij de ontwikkelingen op de markt nauwgezet volgen.

maandag 20 november 2017

Een slappe vertoning


I.
We konden niet bedenken wat te doen en de regen bleef maar vallen en plots was er de onbedwingbare behoefte om in Duitsland te zijn.

In de trein naar Keulen lazen we het welbehagen op elkaars gezicht (‘Zie ons eens lekker impulsief wezen’). Maar vier uur later staarden we, door het venster van onze hotelkamer, verbouwereerd naar een plensbui van oudtestamentische proporties.

‘En nu?’ vroeg S.

Ik zei dat we naar het museum van Käthe Kollwitz konden. Etsen, litho’s en houtsneden van de kunstenaar - vol ziekte, erbarmelijke ellende en dood - hadden vorig jaar, tijdens een expo in Heerenveen, diepe indruk gemaakt.

‘Meneer weet ’t wel weer allemaal uit te zoeken,’ gromde S.

II.
Monsieur Tintin wordt, over de kaderlijn, naar het werkvertrek van de Syldavische koning begeleid:


...een prentje dat Hergé als uitgangspunt nam voor de omslagtekening op de Petit Vingtième van 16 februari 1939. Daarvoor deed hij iets beter zijn best:


Het origineel hiervan werd afgelopen zaterdag geveild in Parijs. Richtprijs: € 600.000 – 800.000, afgehamerd op € 400.000. Aanzienlijk minder dan verwacht, maar inclusief opgeld kon er toch nog een aantrekkelijk persbericht de deur uit (‘Dessin de Hergé adjugé un demi-million d’euros!).

III.
Alleszins was deze editie van Artcurials Univers du créateur de Tintin-veiling een slappe vertoning. De eerste twee stroken van ÉTOILE bereikten, met drie ton, maar net de ondergrens van de richtprijs; het origineel van het pop-up album van SCEPTRE haalde, met € 48.000, de laagste richtprijs van € 50.000 net niet (bedragen zonder toeslag).

Van de kavels met Kuifje-albums bleef 42 procent onverkocht. En van de laatste 34 kavels met originelen van Hergé en/of zijn Studio konden zelfs 23(!) terug naar de aanbieder. Ook de halve pagina met potloodschetsen uit BIJOUX vond geen koper.

IV.
TINTINPERDU-lezer Mike van der Veer was overigens in Parijs om, tijdens de aansluitende stripveiling, mee te bieden op het origineel van dit Weekblad-omslag van Jacques Laudy:


Met een richtprijs van € 700 een koopje, meldde ik hier eind vorige maand. Dat viel flink tegen, aldus Van der Veer, een groot liefhebber van de iconische kaftjes uit de jaren veertig en vijftig:

‘Bij het bieden ervoer ik hevige tegenstand van een onbekende opponent. Tot 1.500 € hield ik stand, toen moest ik de vlag strijken.’

Uiteindelijk werd deze Laudy afgehamerd op € 1600.

maandag 13 november 2017

Stilte, we draaien!



Originele omslagtekening voor BIJOUX, het enige album waarbij Kuifje op het omslag direct oogcontact maakt met de lezer. Toch?


Glimlach op de definitieve cover, open mond op het origineel.

Als we inzoomen, kunnen we met enige stelligheid beweren dat onze held hier juist niet naar de lezer kijkt:


...maar dat hij een personage in zijn eigen wereldje waarschuwt: ‘Stilte, we draaien!’. Eigenlijk vind ik dat een veel boeiender tafereel.

Spijtig ook dat de Tekenaar zijn omslag uiteindelijk heeft gedecodeerd, dat wil zeggen: ontdaan van alle lijntjes waarmee hij zijn virtuele wereld suggereert.

De wiebelende filmlamp:


De krachtige zang van de Milanese nachtegaal:


En het angstzweet van haar pianist, de schichtige Igor Wagner:


Wat die opstuitende zweetdruppels betreft: Hergé is er beslist nooit vies van geweest:


Fragmenten van drie opeenvolgende albumomslagen: CRABE, ÉTOILE en LICORNE. Ook op AMÉRIQUE en BOULES spatten de schrik, de angst en de verbazing in abstracte lijntjes van het omslag.

Bij BIJOUX is (trefzeker?) alle dynamiek en expressie ingeruild voor een beeld dat net zo statisch is als het ‘avontuur’ dat zich eronder afspeelt.

woensdag 8 november 2017

De Moor danst (en andere wufte postzaken)


I.
Link van Mike van der Veer (klik!) naar het meticuleuze uitpluiswerk van Gilles Fraysse. Subiet na de éditions alterneés van ÎLE NOIRE plaatst Fraysse nu ook de enige zwart-wit albumuitgave van ÉTOILE in een kamerbrede context. Een prachtalbum, overigens:


Want kijk eens naar die strakke schutbladen en het hagelwitte papier. Fraysse verbaast zich erover dat zulk luxe drukwerk nog mogelijk was in tijden van grote schaarste (we schrijven oktober 1943).

Hergé was, zo blijkt, destijds niet minder onder de indruk: ‘Ils sont admirables!’ Voor de tien gedrukte exemplaren werd de Tekenaar overigens aangeslagen voor 100 BEF per album.

II.
Intrigerend mailtje van Scudder over de jaarcijfers van Moulinsart. In de Paradise Papers zullen Rodwell c.s. allicht niet opduikelen, maar niettemin: ik wacht met spanning op de analyse van de kengetallen!

III.
‘Van mij heeft u het niet,’ schrijft Ivo Mans dwingend, ‘maar voor als u weer een tijdreis doet:’


Als bijlage een foto van de eerste vrouw van Edgar P. Jacobs, Léonie Bervelt. Op dit huwelijksprentje uit 1930 oogt ze als een timide kindvrouwtje, maar Ninie was in werkelijkheid toch vooral een wild theatermeisje, een chorus-girl die eigenlijk geen partij was voor de oppassende Edgar.
‘Op een zonnige dag in oktober verliet ze hem,’ schrijft Jacobs’ kleindochter Viviane, een tikkeltje theatraal, op haar blog, alsmede dat de aangeslagen tekenaar zijn eerste bruid later nog een gastrolletje geeft in zijn La Guerre des Mondes.

IV.
Dan deze foto, via een trouwe PERDU-lezer uit Leiden:


…als late aanvulling op dit feestelijke beeld in dat scharrige café in de Ukkelse Landhuisjesstraat. Rechts zien we Johan de Moor in een gestold moment. Danst hij? Of…?

V.
En tot slot:


Fragment van het omslag van BIJOUX. Plus een tik op de vingers van D. die me mailde over mijn vorige blogpost:

‘Hoezo, Hergé heeft het laten liggen? Hergé heeft het helemaal niet laten liggen! Hij tekende het enige omslag uit de reguliere reeks waarbij Kuifje direct oogcontact maakt met de lezer en precies dat is zijn uitroepteken.’

Maandag verder, dan leggen we het BIJOUX-omslag eens meticuleus op de snijtafel!