donderdag 23 april 2015

Scheepsberichten (2)


Onder de kavels op de maritieme veiling in Parijs treffen we ook een aantal scheepstelegrafen waaronder deze robuuste Chadburn:


De richtprijs (€ 800 – 1200) is slechts een fractie van de ruime ton die Christie’s vorige maand binnenhengelde met deze thematisch verwante schetsen…:


…voor pagina 56 van COKE:


Haddock toont zich hier weinig ingenomen met de scheepstelegraaf aan boord van het slavenschip Ramona. In de oorspronkelijke versie vervloekt hij...

...dit nepspul van de bazaar...

In een Nederlandse vertaling stelt hij een scheepskapitein nogal onwaardige vraag:

Wie heeft er ooit zo’n ingewikkeld dom ding ineen geknutseld?

Maar ingewikkeldheid is hier nu juist helemaal niet aan de orde, beroerde kwaliteit wél. Zie hoe Haddock met één ferme schop niet alleen zijn schoen ruïneert, maar ook - en erg gemakkelijk - de poot van het apparaat. Een knappe prestatie! Zelfs op de zeebodem blijft de gemiddelde scheepstelegraaf, aangevreten door de elementen, nog tientallen jaren fier rechtop staan - zoals dit exemplaar op het wrak van de Seiko Maru*:


Enfin, na Haddocks uitbarsting doen de wrakstukken van de scheepstelegraaf niet alleen denken aan een week uurwerk van Salvador Dalí...:



... maar maken ze ook een vette knipoog naar de verwoestende deconstruction performances uit de vorige eeuw:




*) Het Japanse stoomschip zonk, na verschillende Amerikaanse aanvallen, op 19 februari 1944 naar de zeebodem rond de Chuukeilanden, 1800 mijl ten oosten van Pulau Pulau Bompa.

dinsdag 21 april 2015

Scheepsberichten (1)



Toooot… Ook op een maritieme veiling weten ze bij ArtCurial iets van Hergé ertussen te moffelen. Het affiche uit 1980 steekt wat bleekjes af bij het grafisch vuurwerk van Cassandre, Auvigne en Tonelli – maar het is vooral een reclameposter uit het begin van de vorige eeuw die de aandacht trekt:


Kavel 81: verrassende vondst op de zeebodem door een ongeduldige duiker die zich meteen beklaagt: Que lástima no puedo beber lo - wat jammer dat ik het niet kan opdrinken!
Advertentie van het Franse cognac-huis Otard voor de Mexicaanse markt, uit omstreeks 1910. Vervang dat jaartal door 1943 en vervang de cognac door rum en je hebt… Inderdaad:



maandag 20 april 2015

Platengala


Hoe in de jaren vijftig van de twintigste eeuw albums werden verkocht:


Onweerstaanbaar aanbod voor de krantenlezer: wondermooie boeken voor 3 gulden 95 met tussen de 700 en 800 platen in veelkleurendruk…

In 1956, met de verschijning van De Zaak Zonnebloem, krijgt men voor dezelfde prijs zelfs nog aanzienlijk meer*:


Maar twee jaar later al wordt voor dat extraatje de rekening gepresenteerd…


Het nieuwe Kuifje bevat weer minder platen* voor méér geld.


*) Wat denk je? Kloppen deze aantallen? De inzenders met het juiste antwoord maken kans op een mooie retro platenkoffer met ruimte voor twintig platen.

donderdag 16 april 2015

Bezeten door broeksplooien


De post bracht Jacobs 329 dessins - presentje van D. dat ik mocht opvatten als een versluierde aanmaning: Koop je nog ‘ns iets van me?

Geheid een mooie uitgave, maar het boek kantelt rap naar een nogal vermoeiende showcase van Jacobs’ obsessie voor correcte (zeer theatrale) lichaamshoudingen:


Uitgebalanceerd in het raster hierboven zien we Blake een greep doen naar iets dat voor hem pas later tastbaar is:


Het is een pikhouweel, een rekwisiet dat hem lijkt te worden aangereikt. Let overigens op de wonderlijke moeite die het Jacobs hier kost om handjes te tekenen.

Ook de vermakelijke bezetenheid van de tekenaar met broeksplooien komt voor het voetlicht:


Sinds de professor zijn Schwarzenegger-torso onthulde in SATO…:


…blijven die hoog gesneden pantalons van Mortimer een enigma.

Enfin, veel opzienbarends levert het boekwerkje niet op. Of het moet die wilde haardos in de hallucinante tekening van professor Miloch zijn:


Jacobs spaart, na alle commentaar op zijn gruwelijke toekomstvisie, de tere kinderziel en maakt de schurk in de finale versie van De Valstrik een tikkeltje minder schrikaanjagend:




Volgende week: 830 tekeningen voor 4,25

dinsdag 14 april 2015

Alles is onder controle


En nog maar eens een ijzig gangsterdrama van Jean-Pierre Melville bekeken. Vooral zijn films met Alain Delon zijn, op momenten, strak gechoreografeerde studies in onderkoeld roken:



Delon beheerst de archetypische mimiek van de ultra-coole roker tot in zijn vingertoppen. Weetje van de dag: Hergé doet niet voor hem onder. Kijk eens naar de stappen die de Tekenaar hier* vlot en soepel maakt…


…om uiteindelijk bij de up-down symmetrie van 5 uit te komen: peuk naar beneden, vernauwde blik scheef omhoog. De sigaret – nog onaangestoken, een belangrijk detail! – kleeft knap aan de lippen (wat vooral in 4 een intrigerend expressief beeld oplevert). Alles is onder controle, zoveel is wel duidelijk. En vanzelfsprekend is alles ook illusoir. Want hé, dit is wél de wereld van Hergé.


*) Fragmenten uit een aflevering van de Canadese televisiereeks Premier Plan, uitgezonden in 1962, opgenomen eind juni 1961 op het landgoed dat de Tekenaar dan kortelings tezamen met zijn Germaine heeft verruild voor een appartement en een bijna dertig jaar jongere ex-medewerkster.

maandag 13 april 2015

Een wrekend Boem!



Aankondiging van Het zwarte goud. Van de voorpagina van dagblad De Tijd, 23 april 1955.

In een onnavolgbaar leutig stukje (fuifnummer Bob de Moor zou er zijn vingers bij hebben afgelikt…*) worden Jo en Suus weer naar school gestuurd en stelt de krant haar lezers een nieuwe held voor: ‘een jongeman van iets boven de leerplichtige leeftijd’.


*) …en we horen de geplaagde France Ferrari diep, heel diep zuchten…

donderdag 9 april 2015

Tijd voor thee (3)


Numa Sadoul maakte begin jaren zeventig méér kiekjes in de Studios, bijvoorbeeld tijdens de beruchte thee-uurtjes, die zich al sinds de jaren vijftig werktuiglijk aaneenregen.


Josette Baujot en France Ferrari.


V.l.n.r.: Baujot, Nicole Van Damme, fris overhemd met geplooide Tekenaar.


Bob en Georges: brandpunt van het Heure du thé.

‘Monsieur Bob vertelde gerust elke dag en dat twee weken achtereen dezelfde mop. Georges vond dat meer dan hilarisch. Dus dan lachten we maar mee.’
Dixit France Ferrari in een zeldzaam openhartig gesprek met journalist Guy Teisseire.


Links nog een gedreven meelacher: Baudouin van den Branden de Reeth.

Vooruit, pikken we hem ook nog even mee (al was het maar voor de wat vettige coiffure die herinneringen opwekt aan mijn oude gymnastiekleraar):


En hier door Sadoul gekiekt op Céroux-Mousty:


Van de opbrengsten van het Alex-album ‘Het afgodsbeeld’ heeft Martin een nieuwe pantalon voor zijn Bruno (links) gekocht, model Ligne Claire.

woensdag 8 april 2015

Alles slijt



S. troonde me mee naar Londen - naar een kunstwerk dat eind vorige eeuw zo’n diepe indruk op haar maakte: My bed van Tracey Emin.

Korte inhoud van het voorafgaande: in 1998 lag de kunstenares gedeprimeerd onder de wol na een verbroken relatie. Vier dagen later stapte ze er weer tussenuit en maakte van het bed een (destijds) controversieel kunstwerk*: een readymade van vuile lakens en ondergoed met menstruatievlekken en, op de vloer, condooms, peuken, een lege wodkafles, pantoffels... Sinds eind maart is het, voor het eerst in zestien jaar, weer te zien.

Korte inhoud van de voorbije week: we gingen naar de Tate waar geen sprake was van bewondering, maar van onberoerdheid en zelfs van verveling. De tijd fnuikt herinneringen en gevoelens. Sikkeneurig en een tikkeltje zwaarmoedig bedierf S. nadien het etentje in de stijve sterrentent van Alain Ducasse - waarna we beiden slecht gehumeurd in ons hotelbed stapten. Dat lag overigens weer zo lekker dat we heerlijk misnoegd in slaap vielen.

Maar goed. Waar waren we?


Dinsdag 26 oktober 1971. Georges doet voor de camera van Numa Sadoul alsof hij zijn tas inpakt. Daarna praat het tweetal over BIJOUX en over de overeenkomsten tussen Castafiore en Germaine. ‘Ik reken af,’ zegt de Tekenaar, ‘maar zonder gramschap.’


*) In 1999 geëxposeerd in de Tate en verkocht voor 150.000 pond, vorig jaar geveild voor ruim tweeëneenhalf miljoen.

zondag 29 maart 2015

We fly you to the home of Riklin




Piotr Szut, die regelmatig vloog met de excentrieke Georges, herinnert zich een vlucht van Brussel naar Zürich, eind april 1959: “Op de terugweg leek het me beslist beter niet naar het toilet te gaan.”



Ik vlieg er even tussenuit. Volgende week woensdag terug.

vrijdag 27 maart 2015

Vijandig





woensdag 25 maart 2015

Een heuglijk feit


Bon. 25 maart. Sterfdag van Claude Debussy en Willy Schobben. En in de elegische versmaat van deze mistige ochtend zouden we bijna over het hoofd zien dat zich ook nog iets heuglijks voordoet:


Een ouderwetse kachel, een elpee en de bereidheid om bedachtzame antwoorden te geven – those were the days… Theo van den Boogaard in de Leeuwarder Courant van 18 april 1970.


Van den Boogaard is jarig vandaag. 67. De tijd snelt voort. Het is een mooi excuus om weer eens een foto af te beelden van de verrukkelijke France Ferrari.

Maar ja.*


*) Dat is ook altijd zo wat.

maandag 23 maart 2015

Waar ga je het hangen?


Terug naar Maastricht, op een vroege zaterdagochtend, om iets te verwerven waarvan ik een week lang heb wakker gelegen. Gekend hersenspinsel van de verzamelaar: zónder dit object is de kwaliteit van mijn leven significant lager.

Zo vloeit een groot deel van de omzet op beurzen voort uit zelfbedrog.

S. vergezelde me voor de kritische noot – en beperkte haar commentaar tot slechts één vraag: ‘Maar waar ga je het hangen?’
- Op de plek van de Majorelle.
‘En waar gaat die dan heen?’
- Boven de schouw, dacht ik.’
‘Zeg, ik wil die tieten niet in de woonkamer hoor.’
- Voorlopig.
‘Ook niet voorlopig.’

Ik verzin wel iets, zei ik afhoudend, en ik kocht wat ik zo graag hebben wilde. Ook vannacht zou ik wakker liggen, met de muren van ons huis als klassiek schuifpuzzeltje. De uitkomst kende ik en was al even gekmakend: iets van de hand doen.

Popo Kabaka? Namby Pamby accommodeerde als schuilnaam een veel grotere waarachtigheid.

vrijdag 20 maart 2015

donderdag 19 maart 2015

De tand, de tijd en de kloof


Maar hoe boeiend is dat nu helemaal, door een tweeënveertig jaar oude jaargang van Kuifje bladeren?

Het viel mee en het viel tegen.

Van de tand des tijds krijgt niemand een program, maar hier leek – oppervlakkig gezien – veel overeind gebleven. In 1973 zit het Weekblad royaal in zijn klassiekers. Alex toont zijn golvende wasbordje aan de Nijlprins, de Kaaimannen krijgen ongenadig op hun donder in het Rijstveld, de ingekleurde Spirit maakt van het blad nog net geen Greg-portfolio en Red Dust... Ja, Red Dust…

Nooit zal in het westen de legende voortleven dat Red Dust, de man met het zilveren pistool, een held is zoals de kinderen die zich voorstellen. Maar ook zal er nooit meer iemand over hem oordelen…

En terwijl de hemel rood kleurde boven Laramie manifesteerde zich een brede kloof tussen bladeren en lezen. Die bleek, door de wijdlopigheid en het sentiment in en om de tekstballonnen, onoverbrugbaar. Het onrustige oog bleef uiteindelijk vooral hangen op de vele, vrolijk naïeve advertenties voor pennen (Parker, Bic en Waterman, toen nog lifestyle-definiërende instrumenten*) én op deze twee pagina’s:


Zoek onze hoeden!, slechts één van de tientallen wedstrijden die de lezertjes dat jaar voor de kiezen krijgen.

Enfin, je zult destijds maar de pechvogel zijn geweest die de Eerste Prijs won in plaats van de Tweede...:






*) ‘Om aandacht te trekken, moet u met iets buitengewoons voor den dag komen, het haantje-vooruit zijn, de voortrekker, de lokomotief van de groep’ (Parker)

dinsdag 17 maart 2015

Zeg niets meer, alsjeblieft



Paul Cuvelier, gefotografeerd door Jean-Pol Stercq. Twee weken geleden noemde ik Stercqs werk voor het Weekblad ‘een beetje nikszeggend’, maar bladerend door een jaargang Kuifje (1973) drong zich een veel minder clemente vaststelling op. Het was allemaal tamelijk erg – en de bodem werd misschien wel bereikt met François Craenhals, pijprokend achter de brandnetels:


De stroperige David Hamilton-modus waarin Cuvelier is vastgelegd, leek me overigens wel passen bij het slot van ‘Het rijk van het zwarte water’, het laatste Corentin-avontuur dat een paar weken eerder in het Weekblad verscheen.

WAT VOORAFGING: Corentin durft eindelijk de liefde te verklaren aan zijn Zaïla, maar… ze kiest voor iemand anders. Onze held draait haar teleurgesteld de rug toe. Vervolgens ontspint zich, op tekst van Jean Van Hamme, het volgende tafereel:



Op welke afdeling van de drogist zou je zulke sterke zoetstof nog kunnen kopen?

maandag 16 maart 2015

Zonder sterfbed


Naar de Tefaf met een bevriend galeriehouder die net iets te veel een hoeder is van jonge kunstenaars in wie hij persoonlijk gelooft om zakelijk echt succesvol te zijn. Eind jaren negentig heb ik veel bij hem gekocht. Rendement: nihil. Maar er zitten stukken bij die ik eerder uit een brandend huis zou redden dan de gesigneerde en genummerde SOVIETS*.

Er was in Maastricht een Farmer’s last will (van Lucebert) en een Car crash (Warhol) waarop het slachtoffer het sterfbed werd ontzegd.

In mijn hotelkamer las ik ’s avonds de slothoofdstukken van Remington, roman van Bert Natter, over een zoon die zijn vader ophaalt in Hamburg. De zoon is een conceptueel kunstenaar, de vader een dichter die op de Afsluitdijk plotseling uit de auto springt, voor een Poolse vrachtwagen met tubes zalmpasta.

Pagina 216: Brandweermannen spuiten het wegdek schoon.

Je doet als schrijver je best op mooie passages en de mokerslagen komen van dit soort steriele observaties. Het beeld bleef me de rest van de nacht achtervolgen.
Ik dacht aan de vrouw van mijn vriend J., kort na hun huwelijk opgeslokt in de dode hoek van een uitzwenkende truck. En aan de arme J. die zelf ook een vlek op het asfalt werd. Twee maanden geleden schoven we weer aan bij zijn vriendin in Brooklyn. ‘Ik word trouwens nooit meer gelukkig,’ deelde ze ons plompverloren mee.

Plaatje!


Rechts Georges, links Fanny, boven (en net niet zichtbaar) vliegende robots waarvan de tentakels letters van plaatstaal dragen die de boodschap BEMINT ELKANDER vormen.


*) Stemmingsafhankelijk.

donderdag 12 maart 2015

Ja, het zijn me d’r twee!


Keren we nog even terug naar de SCEPTRE-plaat uit de Sotheby’s*-veiling:


Let op het deurtje in het watervliegtuig dat, zullen we zo zien, ook letterlijk een deurtje is en dat we niet terugvinden in het originele toestel van Lioré et Olivier, de H-242.
Hergé heeft zich de kleine toevoeging veroorloofd om de grap op de laatste pagina mogelijk te maken. Die is niet hemelschokkend, maar desalniettemin neemt de Tekenaar er de tijd voor.

De leut begint al op de voorlaatste pagina…


…met Jansen en Janssen die vrezen dat het toestel in zee stort.

Welnee, stelt Kuifje hen met een expliciet theatrale handbeweging gerust…


we storten helemaal niet in zee, we landen. Dit is een watervliegtuig, nietwaar?

Dikke pret bij de detectives (‘Helemaal vergeten!’) én bij Bobbie…


Onze held doet ondertussen iets zeldzaams, hij doorbreekt de vierde wand en zoekt, met een erg vette, beetje griezelige knipoog, contact met zijn publiek. Een teken van verstandhouding: ja, het zijn me d’r twee, die Jansen en Janssen!

Enfin, nog schuddebuikend opent het duo het fantasiedeurtje (vliegtuigontwerpers zullen bij deze constructie met de eenvoudige kruk hun wenkbrauwen fronsen, het had ook een keukendeur kunnen zijn)…


…en, daar is de grap!, het tweetal kukelt in zee.

In het afsluitende plaatje zat de Tekenaar met het probleem dat hij zowel een lachende Kuifje als een man met een reddingsboei wilde afbeelden. Die laatste plaatst hij dan maar op de neus van het vliegtuig...


...wat hier (en niet alleen qua continuïteit) erg onlogisch is. Maar goed, het is volbracht, het avontuur zit erop en achter de signatuur mag het jaartal gezet: 1939. Zo heel veel valt er binnenkort niet meer te lachen.


*) En dus niet de Christie’s-veiling, een uitglijder waarop diverse lezers me fijntjes wezen.

dinsdag 10 maart 2015

Zuurstof


I.
Korte samenvatting van de Sotheby’s-veiling: bijna twee ton voor de reusachtige Irma, maar de arme Germaine blijft een winkeldochter.

Dit origineel uit de epiloog van SCEPTRE was goed voor € 327.000…:


…en dat ondanks de waarschuwing in de catalogus: ‘De plaat bevat meer tekst dan normaal’.

Maar wat is normaal in het universum van Hergé?

Op de voorafgaande pagina dansen nog veel meer letters voor het oog van de lezer. En kregen we niet korte tijd later de arme broer Vogel voor de kiezen die in overvolle kaders bijna naar lucht moet happen?


Het eerste deel van het MAAN-tweeluik, tekstavontuur bij uitstek, moet zich dan ook nog aandienen.

II.
Zuurstof (lees: zeelucht) dient zich op de geveilde SCEPTRE-pagina alsnog aan op het laatste plaatje. Wie het iets nauwkeuriger bestudeert, ziet hoe Hergé heeft moeten worstelen met de verhoudingen. Het grootse, ruim achttien meter lange watervliegtuig van Lioré et Olivier komt er letterlijk bekaaid vanaf tegenover de sloep met onze helden.

In de gecomprimeerde kleureneditie gaat het mis…


…met een watertaxi die hoe dan ook niet afkoerst op dat vliegtuig...

III.
Net als tegenwoordig hogesnelheidstreinen (Thalys versus Fyra), bouwden de Fransen destijds betere watervliegtuigen dan de Italianen. Die probeerden in de jaren twintig hiermee de markt te veroveren:


De Caproni Ca.60, een toestel dat prompt crashte in het Lago Maggiore. De botanische tuinen langs de oevers van dat meer zijn overigens wél subliem.