maandag 2 juli 2018

Hier is een leven geëindigd


I.

HEET
Ik liep door het plantsoen naar m’n kamer. Het was heel heet, en als het heet is, moet je veel drinken. Maar als het heet is, heb ik nooit dorst, dus drink ik met tegenzin.
Ik riep de hospita en klaagde dat het zo warm was. Ze antwoordde dat ze allang in de kranten had gelezen dat het zo heet was, dat het niet haar schuld was en dat ik haar niet lastig moest vallen met onbelangrijke dingen en dat ze mij een afschrikwekkend heerschap vond.
Ik ging op het bed liggen, nam een boek ter hand, want ik las graag, en viel meteen in slaap.


Uit Ter plekke: de ultrakorte verhalen tot nu toe van de gisteren in Potsdam overleden Armando, die hier de voorbije jaren vaak en met goede reden voorbij is gekomen.

II.
Wat hospita’s betreft, vergeet de dames Pinson, Pirotte en Ernestine. Zij is er ook nog:


…en ze ergert zich hier ongans aan het lawaai dat ze toeschrijft aan haar ruziënde huurders (mijnheer Dupont vindt ze beslist een afschrikwekkend heerschap).

Het is de hospita van de gesneefde kunstenaar Jacob Balthazar, in OREILLE. Ze blijft naamloos, hoewel Hergé haar een aanzienlijke rol toebedeelt:


De vrouw komt op meer pagina’s voor*, maar deze pik ik er niet toevallig uit. De Tekenaar doet erg zijn best om Balthazars hospita te portretteren als een eenvoudige geest die sterk leunt op de orde der dingen:


‘Kijk eens naar die bloemen… hoe echt ze zijn! Alsof ze gaan lachen.’

Maar kijk vooral ook naar hoe er gekeken wordt op dit formidabele plaatje. Het is hier ieder voor zich: binnen dit ene kader schieten de blikken en gedachten verschillende kanten op.

De hospita zwelgt in geschilderde kitsch, Bobbie staat oog in oog met een schedel (we bevinden ons hoe dan ook in een ruimte waar zojuist een leven is geëindigd) en Kuifje staart naar een verdacht peukje op de vloer dat Hergé behulpzaam uitlicht in een close-up.

*) Hergé laat de naamloze hospita in 18 prentjes figureren. De eveneens naamloze hospita van Haddock tekent hij 16 keer. De hospita van Kuifje wordt vaak genoemd, maar karig bedeeld, met 14 plaatjes, uitgesmeerd over drie albums. Haar naam valt pas in het allerlaatste plaatje.

III.
Er is nog heel veel meer te zien op die uitgelichte pagina en dat uitgelichte tafereeltje. Bovendien moet de thematiek van het Verdachte Peukje in het werk van Hergé nu echt eens tot de bodem toe uitgezocht:


Maar het is ook heet en volgens de krant wordt het nog heter. Hoogste tijd om er tussenuit te knijpen, voordat het asfalt smelt.

De TINTINPERDU-kijkdoos ligt tot begin september voor onderhoud en renovatie in de werf. Voor spoedgevallen tijdens mijn afwezigheid verwijs ik, als vanouds, naar toestel 421. Zuster Fanny is elke werkdag aanwezig voor het druppelen van vermoeide ogen.

Fijne vakantie - en kijk toch vooral goed uit. Er is altijd meer te zien dan u denkt.

vrijdag 29 juni 2018

Een grote uitglijder & een bizarre cameo


Opstootje in de mailbox: slechts twaalf (12) personages van het vrouwelijk geslacht in de Kuifje-albums, klopt dat wel?

Het klopt, tenminste, als het criterium is dat de karakters met een naam zijn te identificeren. En als we het onvoltooide ALPH-ART buiten beschouwing laten. Dan komen we uit op een gezelschap dat makkelijk past in twee (2) Opel Zafira’s. Tel maar even mee:

Bianca Castafiore en haar onderhorige Irma, de onmogelijke Peggy Alcazar, de hospita van onze held (Mme Pinson), de hospita van professor Halambique (Mme Pirotte):


…die haar kapsel beslist heeft afgekeken van Ernestine:


…de hospita van de verstrooide professor uit OREILLE.

Dan hebben we haar nog:


Mme Clairmont, die in BOULES de stuipen op het lijf wordt gejaagd door:


… het medium Yamilah.

Blijven over: Miarka, het zigeunermeisje uit BIJOUX, en in de afdeling ‘vrouw van’ treffen we nog de dames Lampion, Wang en Snowball.

Dat zijn twaalf (12) personages van het vrouwelijk geslacht exclusief (en dus niet inclusief, hier maakte ik gisteren een kleine slipper) de naamloze zigeunervrouw die de hand van Haddock leest.

Maar... Ho! Een kleine slipper? Een grote uitglijder! Hoe kon ik haar in hemelsnaam over het hoofd zien?


Mme Boullu, de vrouw van de steenhouwer, restaurateur van de trap van Molensloot – de naam (Bollemans!) is bijna synoniem met ‘onderuitgaan’.

Niettemin, dertien (13) met naam geïdentificeerde dames, waarvan drie (3) hospita’s…


Ja, maar aan jou is zoveel mis… Ik weet niet waar ik moet beginnen.

Laten we het tot slot nog even over de arme mevrouw Clairmont hebben, die zo haastig het theater verlaat. Het publiek staart haar verbaasd na. Heel het publiek? Nee, één zonderling kijkt recht in de ogen van de verbaasde lezer:


Verdomd, is dat niet...?


Volgende week: het raadsel van de vierde hospita.

donderdag 28 juni 2018

Liever krulspelden dan een pilotenhelm


En nu we het toch hebben over gefnuikte vrouwenlevens (kookboekenschrijfsters die liever waren doorgebroken met een detectiveroman, maar ja… kinderen…), moet ook nog maar eens de vinger gelegd op de Afwezigheid van De Vrouw in het universum van Hergé.

Het delict is al eens met cijfers onderbouwd: er komen in de albums een slordige 325 personages voorbij en daarvan zijn er 12 (twaalf) van het vrouwelijk geslacht - inclusief de zigeunerin:


…die in BIJOUX de komst van Castafiore voorspelt, de zingende kleerkast met loeten.

Had Hergé, zonder het aanvankellijke taboe op het tekenen ervan*, zijn reeks wél kunnen kruiden met pittige, normaal gevormde vrouwen?

In elk geval heeft hij kansen (moeten) laten liggen. Neem nou deze gelapte snuiter:


Inspiratie voor Piotr Szut vond de Tekenaar in de geschiedenissen van gevluchte nazi-piloten. Wie daar induikt, komt vroeg of laat ook haar tegen:


Het is Hanna Reitsch, ’s werelds eerste vrouwelijke testpiloot, heldin van de Luftwaffe, de eerste vrouw die met een zweefvliegtuig over de Alpen vloog, de eerste vrouwelijke helikopterpiloot, de eerste vrouw die het bracht tot Flugkapitän, de eerste vrouwelijke straaljagerpiloot en de eerste en enige vrouw in de Duitse geschiedenis die het IJzeren Kruis kreeg (eerste én tweede klas). In 1945 vluchtte ze uit Berlijn, bracht enige tijd door in Amerikaanse gevangenschap en schopte het vele jaren later nog tot Duits kampioen zweefvliegen.

Enfin, we mijmeren even over een vrouwelijke Szut, gebaseerd op de straffe Reitsch. Het heeft niet zo mogen zijn. In plaats daarvan:


…serveerde Hergé ons vele jaren later doodgemoedereerd dit manwijf met krulspelden. En dat terwijl Flugkapitän Hanna in alle opzichten verstripbaar is. Onder andere Martin Lodewijk modelleerde zijn personage Dritta Reich naar haar.

Overigens meende ik op de foto van Reitsch toch vooral een gelijkenis met een ander tekentafelkarakter te zien. Het kwartje viel bij een latere opname uit dezelfde serie:


Sapristi! Ernest Laverdure!


*) Lees toch vooral al het zinnigs dat Geert De Weyer hierover te melden heeft in zijn naslagwerk ‘België Gestript’. Of lees de samenvatting in dit interview.

maandag 25 juni 2018

Het kwam er nooit van


Naar Utøya 22. Juli in de matinee. Dat wil zeggen: zien (en eigenlijk vooral horen) hoe Anders Breivik, in de herhaling op het witte doek, 69 jongeren ombrengt:


Niet mijn idee van een ontspannen zaterdagmiddag, maar S. was nieuwsgierig naar de techniek (van de cameraman, niet van de moordenaar). In de film zit een zogenaamde single take, een ononderbroken opname van 72 minuten, dat is erg knap, er valt een hoop over te vertellen en ik heb daar geen zin in.

Als wisselgeld voor mijn onwillige gezelschap, beloofde S. ’s avonds kalfsschenkel in de oven te schuiven. Ossobuco uit de römertopf – chantage met een favoriete jeugdschotel. De aardewerken stoofpot komt uit de nalatenschap van mijn moeder, het recept uit het originele receptenboekje van de fabrikant:


De auteur, Eva Exner, stelt zich op pagina 4 nogal ongewoon voor:


En over een van de co-auteurs lezen we:


Een andere het-kwam-er-nooit-van-medewerkster (zij het geen de moeder de vrouw) laat zich eenvoudig verzinnen:

Bakkersdochter Germaine Kieckens, echtgenote van een getormenteerde striptekenaar uit Brussel, verzorgde het hoofdstuk met de koude bijgerechten.

Enfin, het idee achter die keukenbedrijvigheid op zaterdagavond is dat je zondagochtend wordt gewekt door de geur van ouderwets stoofvlees – en dat dat een intens behaaglijk gevoel geeft. Maar we hadden allebei te veel gedronken en werden laat en onpasselijk wakker. De dag was nog niet voorbij, maar de single take van dit weekeinde hadden we verbruid.


vrijdag 22 juni 2018

Goedbeschouwd niet om aan te zien


I.
Spleken met ploblemen:


Serafijn Lampion kan de R niet uitspreken omdat hij een pen tussen zijn lippen heeft. Observatie van Har Brok in een artikel over de taal in de Kuifje-albums. Brok merkt fijntjes de inconsequentie op in ‘veldraaild’, maar waagt zich niet aan empirisch onderzoek. Hij constateert dus ook niet dat de vertaling onzinnig is:


Uit dit origineel kunnen we opmaken dat de pietluttige Hergé daadwerkelijk een pen in de mond moet hebben genomen voor een authentieke fonetische weergave. De R kun je gewoon uitspreken (probeer maar eens), het zijn de S en de C die in de verdrukking komen. SAPRISTI wordt dan inderdaad zoiets als CHAPRICHTI.

II.
Har Broks beschouwing las ik overigens in dit 43 jaar oude nummer van Striprofiel:


…voor een habbekrats op de kop getikt, inclusief de originele nietjes.

Weemoedig stemmend stencilwerk met onder andere een aardig interview met de dit jaar overleden Jan Steeman. Eerder noemde ik hier zijn vrolijk ongerijmde ‘Sjors en Sjimmie op safari’ een petit chef d’oeuvre, met voortreffelijke prentjes waarin altijd véél te zien, te horen en te beleven is:



Nu blijkt dat de tekenaar zelf met dat overvolle in zijn maag zat. Over scenarioschrijfster Annelies Dekker merkt de 42-jarige Steeman in Striprofiel zuinigjes op:

‘Annelies had wel van die dolkomische ideeën, maar met haar tekst zat ik altijd met levensgrote problemen. Ze liet dingen gebeuren die bijna niet te tekenen waren, en dat komt omdat ze geen visueel inzicht heeft. Ze liet massa-scènes gebeuren waarbij zóveel dingen zichtbaar moesten zijn, dat kon gewoon niet, en ze kan dat maar niet begrijpen.’

III.
De tekenaar bekritiseert zijn scenariste en wordt enige pagina’s later zélf door de hoofdredacteur van Striprofiel de maat genomen. Die hoofdredacteur heet Peter de Wit (jawel, de Peter de Wit) en voor een jochie van amper zeventien observeert en formuleert hij scherp:

Jan Steeman heeft de figuren [Sjors en Sjimmie], al dan niet langzaam, aangepast aan zijn stijl wat bij een aantal rare effekten geeft, zoals het hoofd van Sjors dat van achteren een gele bol is, de kuif van de kolonel die een raar zwieber omhoog maakt en Sally… ja Sally, zij is, zoals veel van Steemans vrouwen, goedbeschouwd niet om aan te zien*.

De Wit had zich zomaar kunnen ontplooien tot een eminent stripjournalist, maar koos uiteindelijk – chaprichti! – voor de weg van de minste weerstand.


*) Voor wie het originele typewerk helemaal wil lezen:




dinsdag 19 juni 2018

Peter de Smet kwam daar ook



Willem: ‘De Blauwe Kalebas!’
Gerard: ‘De GroeneDe Groene Kalebas. Tweede Weteringdwarsstraat. Peter de Smet kwam daar ook, stond buiten een mozaïekje te leggen als ie er te veel had weggetikt. Wanneer is dit?’
W: ‘Ik denk tijdens de eerste Dag. Die lul die in de camera kijkt…’
G: ‘Is dat Van Wilgen Schorel?’
W: ‘Precies. Die was er de tweede Dag niet meer bij.’
G: ‘Nee. Nou je het zegt. Getverdemme!


Gerard: ‘De derde Dag. In de poffertjeskraam! En nog met Van Duffelen-Figée.’
Willem: ‘En Sombeek-Brandtjes, met z’n hautaine ponem.’
G: ‘Verdomd! Onuitstaanbare natte tosti, altijd drammen over de drie concentrische cirkels waarin de Avonturen zich afspelen.’
W: ‘Afschuwelijke CV-rukker. Verloor een oog bij het zooien met Boecop-Creutz.’


Gerard: ‘Pleister aan je neus, Willem?’
Willem: ‘Haha, nee, de stank van de jaren zestig. Herken je De Geer Dibbets?’
G: ‘Schuin onder je. Aan tafel met... Jezus, dat is Monique! Die had alle jaargangen van de PV, zelf ingenaaid, in Franse Band.’
W: ‘Edelpappband.’
G: ‘Ik mocht er niet aanzitten.’
W: ‘Ze was ook geen hertje om te tackelen, Monique. Later is ze overgestapt naar de Kresse Kring. Ze vond het allemaal te wild worden.’



Gerard: ‘Nou, het werd vooral te massaal.’


Willem: ‘Ja gast, veel te massaal. Is dat nou Van Wijck-De Kempenaer, die de lens zit af te neuzen?’

vrijdag 15 juni 2018

Een vrolijk onzinnige aankoop



‘Heil!’ zegt meester Mus. Gelukwens van Bob de Moor aan ‘Madame Emmy Borremans’ op een van de twee volgekliederde menukaarten die 24 juni bij Millon (KLIK!) onder de hamer gaan.

Borremans was als animator betrokken bij De Zonnetempel en Het Haaienmeer, de lange tekenfilms uit resp. 1969 en 1972. Op 10 oktober 1969 nam ze, in het Brusselse Hotel Atlanta deel aan het feestmaal ter gelegenheid van de 23ste verjaardag van het Weekblad. Ze at hazenrug met pepersaus, voorafgegaan door een zalmcocktail:


… en uit de wijncollectie van het hotel dronk ze een Riesling of een vijf jaar oude Moulin-à-Vent.

Maar willen we dat eigenlijk wel weten?

Op internet vond ik een ansichtkaartje van de feestlocatie, met op de achtergrond de roemruchte Martini-toren:


Als ik melancholiek word van deze afbeelding (en dat word ik, hoewel ik pas in de jaren zeventig voor het eerst in Brussel kwam), dan mag ik dat toeschrijven aan de oranje kleurzweem:

‘Niets zwengelt de heimwee naar weemoed zozeer aan als de clear warm orange color cast op oude stadsfoto’s.’

Dixit Bernard Malamud, in een ironisch sentimentele bui, over de stad (New York) waarin hij opgroeide en waaruit hij de inspiratie peurde voor zijn beste romans.

De richtprijs voor die twee menukaarten is overigens € 1600. Een ontregelende kleurzweem ontbreekt, maar misschien valt er nog wat geur uit te oogsten (een flintertje wildgebraad) die het juiste gevoel aanzwengelt bij deze vrolijk onzinnige aankoop.

woensdag 13 juni 2018

Het mysterie van het pietluttige verlangen


Uit de Oceaan van Ongelezen Boeken trok ik Making history van de bodem. Het betreft de derde roman van Stephen Fry, uit 1996, en ik had werkelijk geen idee hoe ik eraan kwam. De premisse was in elk geval verrukkelijk absurd:

Een jonge geschiedenisstudent helpt een professor bij de ontwikkeling van een apparaat waarmee ze iets terug in de tijd kunnen schieten. Dat ‘iets’ is een middel dat onvruchtbaarheid veroorzaakt. Het duo katapulteert deze pil naar de 19e eeuw - om precies te zijn: in de waterbron van Alois J. Schicklgruber, in Braunau am Inn:


Schicklgruber kennen we als de vader van Adolf Hitler...

Enfin, het opzetje werkt, Alois kan geen kinderen meer krijgen, Hitler wordt nooit geboren. En de gevolgen zijn, zoals we van dit genre kunnen verwachten, onverwacht gruwelijk.

Fry omzeilt netjes de tijdreisparadoxen omdat er feitelijk geen sprake is van een tijdreis, maar van het scheppen van een parallel universum (een wereld waarin Hitler nooit een rol heeft gespeeld). Niettemin is, in het slot, sprake van een ‘terugkeer’ naar ‘de eigen tijd’ – en probeer dan maar eens niet te denken aan die andere professor:


Tijdreiziger Philip Mortimer die wanhopig probeert terug te keren naar zijn eigen tijd.

Uiteindelijk lukt hem dat ook:


Maar hier blijkt de professor een ongelooflijke zemelknoper. Op de keper beschouwd is hij terug in het tijdvak waarin hij thuishoort, maar dat is niet genoeg. Hij wil terugkeren op exact hetzelfde moment waarop hij is vertrokken - en juist door dat pietluttige verlangen misgunt hij zichzelf (en de lezers) de opheldering van misschien wel de grootste tijdreisparadox, namelijk de omkering van oorzaak en gevolg.

Niets staat Mortimer immers in de weg om - enkele weken te vroeg gearriveerd - naar Londen te reizen om daar Mortimer op te zoeken en hem te waarschuwen: Joh, binnenkort krijg je de kans om een tripje te maken door de tijd en door de ruimte, maar als ik jou was: doe het niet!


Dan wordt het ingewikkeld, want als de gewaarschuwde Mortimer inderdaad niet in de tijdreismachine stapt, hoe kan hij dan uiteindelijk uit de tijdreismachine stappen om Mortimer te waarschuwen niet in de tijdreismachine te stappen?

Zo dicht bij de oplossing van dit raadsel, en dan toch... Het is om gek van te worden.

Dat boek van Stephen Fry was overigens best aardig. Maar ik weet nog steeds niet of ik het heb gekocht of gekregen (of geleend) en hoe het überhaupt in mijn werkkamer verzeild is geraakt. S. wees me op de mogelijkheid dat ik me in de verre toekomst herinner dat ik deze week niks kon verzinnen om over te schrijven – en dat mijn toekomstige ik dat boek van Fry dan door een wormgat naar mijn werkkamer in 2018 schiet, ter inspiratie.
Het zou zomaar kunnen.

maandag 11 juni 2018

Het halfgare einde van Hergé


Vergeet de Pep, er is beslist een goede reden om het glas te heffen op Eppo:


Daar ligt-ie, Eppo Doeve, in een Londens hotelbed met dreigend, Trumpiaans wereldnieuws, zomer 1954. De kunstenaar, schilder, illustrator, cartoonist, reclametekenaar (etc. etc.) persisteert tot 11 juni 1981. Vandaag drinken we op zijn sterfdag.

De vertoonde ontspanning op de foto moeten we met een korrel zout nemen: Doeve was een onverbeterlijke werkverslaafde - als ontwerper onder andere verantwoordelijk voor deze graag geziene gast in de platvink:


Nog tot ver in de jaren zeventig kon je dit Erasmus-biljet inwisselen voor een werkelijk ferme stapel Petits Vingtièmes, ook nog eens in goede staat. En nu we het daar toch over hebben:


De laatste pagina van CONGO, in PV 24 – verschenen op 11 juni 1931, vandaag precies 87 jaar geleden! Komaan, nog maar eens een fles geopend...

Voor een finale overigens een weinig opwindende plaat. Had de Tekenaar spijt van zijn halfgare afsluiting? Als mosterd na de maaltijd verscheen er een week later nog een aflevering met nóg een laatste pagina:


…die we kennen uit de album-versie.

Let op de aanbidding van onze helden:


87 jaar later kan de Westerse gelovige voor zijn afgodsbeelden (geen primitief hout, maar kunsthars in beperkte oplage) terecht bij de webshop van Moulinsart – dat is de ironie van de geschiedenis.

woensdag 6 juni 2018

‘Door XIII voelde Hergé zich gezuiverd’


Naar Drievliet voor de ‘feestelijke’ herlancering van HP/De Pep – de aanhalingstekens moeten de misère blootleggen. Het succesvolle weekblad van weleer is immers een maandblad geworden, de opinieredactie staat op straat, de stripredactie is verhuist naar een industrieterrein in Oude-Tonge.

Inmiddels heb ik het eerste nummer van het maandblad gelezen:


... en ben gematigd enthousiast. Romano Molenaars Drøtel, een rauwe spin-off van De Generaal, laat me onberoerd (de vijf jaar oude hommage van Mars Gremmen is me heel veel liever, hoewel ik indertijd door emotioneel driftzand waadde). Ook de vondst om de 96-jarige Hans Kresse te laten interviewen door de 94-jarige Jean Graton komt niet helemaal van de grond.

Het uitputtende ‘Dossier XIII’ is daarentegen imposant. Auteur Geert de Weyer laat zich lyrisch uit over het ‘geniale vertrekpunt’ van een van de grootste succesreeksen uit de geschiedenis van het beeldverhaal:


Een man wordt opgevist uit het meer van Genève, zonder geheugen en vol kogelgaten. In zijn dij is een microfilm geïmplanteerd en zijn gezicht is chirurgisch veranderd. Hij lijkt sprekend op Adolf Hitler.

De Weyer citeert genereus uit de gesprekken die hij begin jaren negentig in Buenos Aires voerde met de weduwe van XIII-tekenaar Georges Remi. Germaine Kieckens benadrukte daarin hoezeer haar echtgenoot de bestsellerstatus van én de wereldwijde lof voor zijn verbluffend meeslepende creatie* beschouwde als ‘een herovering van de zuiverheid van zijn artistieke en filosofische gezichtspunten’. Kieckens:

‘Georges voelde geen schuld meer, niet in juridische en, vermoed ik, ook niet in morele zin.’

Remi, in de jaren dertig van de vorige eeuw een onbeduidend illustrator, brak in de bezettingstijd onder het pseudoniem Hergé door als tekenaar van de populaire strip Jo, Zette et Jocko:


Strook uit het door de nazi’s gekaapte dagblad Le Soir.

Na de oorlog werd de tekenaar voor zijn collaboratie bestraft met tien jaar cel. Hij kwam in 1950 vervroegd op vrije voeten, maar verloor zijn burgerlijke, politieke, sociale en culturele rechten.

In 1953 reisden Georges en Germaine, via New York, met de s.s. Aagtedijk naar Argentinië, op valse Spaanse paspoorten en in onopvallende Andalusische kledij:


Met de opbrengst van uit de VS meegesmokkelde nylonkousen (in vacuüm gezogen pakjes) huurde het echtpaar een piepklein appartementje in het noordelijk district van Buenos Aires. De Tekenaar raakte er bevriend met de legendarische schrijver en scenarist Héctor Germán Oesterheld die hem introduceerde bij uitgever César Civita.
De rest is vintage striphistorie.

Eind 1954 verscheen van Georges’ hand bij Civita’s Editorial Abril het eerste XIII-album: Zwarte Vrijdag. 25 jaar en ruim 200 miljoen verkochte boeken later kwam postuum het 23ste, afrondende deel uit – algemeen beschouwd als het beste van een reeks waarbij de lat kwalitatief toch al fabelachtig hoog lag. Hoe hoog werd op 7 juni 1984 duidelijk:


…toen het duo William Vance (tekeningen) en Jean Van Hamme (scenario) in het weekblad Spirou een moderne reboot van de reeks lanceerde – een artistieke én commerciële flop van jewelste.

HP/De Pep, vanaf donderdag in de kiosk. Introductierijs: € 5,95


*) No other contemporary comic book artist has more durably enjoyed the twin badges of being both well-read and well-regarded. (...) Remis XIII is pure genius. Intrigue and menace mingle in one of the finest mysteries I’ve ever read.John le Carré

maandag 4 juni 2018

Veilingdirecteur op de traplift


Wie hebben we hier?


Het is Jacco Schepper, directeur van de Europese divisie van het Amerikaanse veilinghuis Heritage Auctions. Zo-even heeft hij de verslaggever van De Telegraaf wijsgemaakt dat hij misschien wel één miljoen euro omhoog houdt.

Hoopte de Heritage-man nou heus dat zijn Amerikaanse bazen eenzelfde slag konden slaan als de collega’s van Artcurial, twee jaar geleden?

In november 2016 ging bij het Franse veilinghuis het dak eraf, met het origineel uit LUNE (richtprijs € 700.000) dat uiteindelijk werd afgehamerd op 1,25 miljoen euro (1,55 miljoen inclusief). Bij de originele schetsen en de geïnkte pagina uit COKE, met een vergelijkbare richtprijs, schoot de traplift juist naar beneden. Jacco Schepper zat er met zijn schatting zeven ton naast: het kavel werd zaterdag afgehamerd op minder dan € 300.000 (€ 364.000 met toeslag).

Let overigens op dat andere origineel rechtsboven in de Telegraaf-foto:


Triviaal plaatje uit TEMPLE DU SOLEIL dat hardnekkig boven de markt blijft zweven. Bij Artcurial bleef het al eerder (in dezelfde november 2016-veiling) onverkocht. Ook bij Heritage Auctions vonden ze dit weekend geen koper. Wel is er nog een post auction sale die loopt tot maandag 11 juni.

Verder wil ik me er niet mee bemoeien, maar een minder grotesk kader wil allicht helpen.

Tot besluit: van de Nederlandse Klare Lijners op de Amerikaanse lijst (Van den Boogaard, Van Dongen, Swarte) boerde Swarte het best:


… met een bescheiden € 2050 (exclusief) voor het origineel van dit Vrij Nederland-omslag uit 1985:


Overigens googelde ik op FREUD OP DE DIVAN en verzeilde aanvankelijk in een gelijknamig artikel van concurrent De Groene Amsterdammer uit 1999, met deze prachtig intrigerende opening:


Aanname van de Dag:

Op 27 april 1959 belde Hergé aan bij de Zwitserse psychiater Franz Riklin om een originele plaat uit LUNE te ruilen voor een kaartenbak met nieuwe verhaalideeën.