woensdag 18 april 2018

Korte veiling, lange tanden


Voorwoord uit het tweede nummer van het Weekblad, 3 oktober 1946:


Onze jonge reporter bedankt de lezers voor alle enthousiaste reacties op nummer 1 en meldt: ‘Kapitein Haddock was zó ontroerd dat hij vier glazen whisky achterover moest slaan om weer bij zijn positieven te komen’.

De heilzame uitkomst van zo’n innige relatie met de fles zou me, als Weekblad-lezertje, beslist mateloos hebben gefascineerd!

Enfin, het origineel gaat op 4 mei in Parijs onder de hamer:


…en geldt op de kleine en vooral zouteloze editie van Artcurials L’univers du créateur de Tintin-veiling als een van de ‘toppers’, met een richtprijs € 20.000 – 30.000.

Met lange tanden bladerde ik door de weinig opwindende kavellijst (met wéér dat beeld van Nat Neujean...) die is samengevoegd met de catalogus voor de algemene originelenveiling, op 5 mei. Via de zoveelste snipper uit Het Gele Teken...


...strandde ik bij een prijzig werkje van Jacques Tardi waarin mijn tegenzin haarfijn werd verbeeld:




*) KLIK! voor de catalogus. Er zijn 142 kavels - moeilijk voorstelbaar dat er ooit, in 2012, bijna 800 (achthonderd) Hergé-kavels bij Artcurial werden aangeboden.

maandag 16 april 2018

De kribbe met de grote schare


We zijn nog niet helemaal klaar met die curieuze nieuwjaarstoost:


Rechts het inmiddels bekende omslag van het eerste Weekblad van 1947. Links het laatste Weekblad van 1946.

Wie maken daar zo devoot hun opwachting voor de kerststal?


Juist, ze zijn er allemaal! Het is alsof het bonte stripgezelschap na de koude kerstnacht meteen is doorgereisd naar de nieuwjaarsdis. Alleen Bobbie ontbreekt (wat me bevreemd, zelfs de aap wordt in deze setting gedoogd).

Haddock heeft de fles tijdelijk ingeruild voor een scheepsmodel waardoor het tafereel (zie ook het materiaal in handen van major Wings en van Blake en Mortimer) veeleer doet denken aan het uitstapje van een modelbouwclub.

Maar goed, wat zien we nog meer? Een Droste-effect:


Op dit kerstomslag van het Weekblad heeft Kuifje een Weekblad in handen met een kerstomslag. Overigens op een eigenaardige manier, want achterstevoren. Eigenlijk zouden we de achterpagina moeten zien:


...maar Hergé zal, vermoed ik, de tempelmaagd en haar verloofde hebben willen behoeden voor zoveel onzalig geweld uit het evangelie van Jacobs.


Met dank aan Scudder

donderdag 12 april 2018

De kletspraat van Bunji Kuraki


Dick Bos-momentje tijdens de afwikkeling van CRABE:


Ik herlas het avontuur, omdat… Ja, waarom eigenlijk? Vanwege de krab in olieverf waar we zaterdag op de KunstRAI tegenaan waren gelopen? Of omdat ik zondag met zo’n godsjammerlijke kater ontwaakte dat ik slechts licht vertier verdroeg dat eindigt met een radiorede over de gevaren van alcohol?

Het exposé van Bunji Kuraki (‘van de Veiligheidspolitie van Yokohama’) bleef niettemin een harde noot om te kraken. Hergé zat er aantoonbaar ook mee in zijn maag: in de oorspronkelijke versie (Le Soir , 15 oktober 1941) laat hij Bobbie ongezouten commentaar leveren:


...ces longs bavardages m’ennuient… Deze lange kletspraatjes vervelen me.

Dat ‘bavardage’ behelst niet per definitie een negatief oordeel (gezwets, snorkerij), maar evengoed kan er een onschuldig causerietje mee worden aangeduid. Het is een mooi woord, vind ik – helaas net niet gangbaar geworden in het Nederlands.

Voor de oorlog duikt de term wel met regelmaat op in de kranten. Hier in een (in dit geval zeer toepasselijke) passage uit een filmrecensie:


De besproken film in kwestie is ‘Cargaison blanche’(uit 1937), ook bekend als ‘Le Chemin de Rio’, van de klassieke film noir-regisseur Robert Siodmak:


… waarbij de lading (cargaison) uit de titel geen opium betreft, zoals in CRABE, maar gekidnapte meisjes die in Zuid-Amerika als slavin worden verkocht.

Blanke slavinnen! Als dát de handel was van markies Di Gorgonzola hadden we twintig jaar later met COKE een iets afwijkend avontuur beleefd:


Maar goed, nu glijd ik zelf weg in een bavardage


Maandag: Opschudding in de kerststal

maandag 9 april 2018

Wie koopt het 300.000ste exemplaar?


Wat hebben we hier?


Zogenaamde ‘Boekenspeurder’ in De Telegraaf, 25 november 1978.

Slecht weinigen weten dat het 300.000ste exemplaar van PICAROS op zaterdag 2 december 1978 werd gekocht door de 12-jarige Peter van Dongen uit Amsterdam. Hij vond er geen reet aan, en erger nog: juist door dit album verloor hij zijn prille ambitie om striptekenaar te worden.

Op zestienjarige leeftijd debuteerde Van Dongen als jongste bediende bij de Rijkspostspaarbank, tegenwoordig is hij Senior Outreach Development Officer WV (Werknemersverkeer) bij de EU in Brussel. De laatste jaren ligt Van Dongen vaak wakker van een melancholie over een niet-geleefd leven - een heimwee die stroomt als een bandjir.

donderdag 5 april 2018

Het mysterie van de knallende karwats


Waarom ontbreekt Étienne Le Rallic in 1947 op het nieuwjaarsomslag van het Weekblad? Juist in dit nummer start zijn nieuwe reeks:


Jojo Cow-boy... De Fransman maakt als striptekenaar iets minder indruk dan als illustrator. Maar om hem daarom niet te laten aanschuiven aan de feestelijke nieuwjaarsdis met Laudy, Jacobs en Cuvelier? Alleszins heeft Le Rallic (1891-1968) toch een prettig ponem om te tekenen:


Dubbele pagina uit ‘LES HUMORISTES. Bulletin trimestriel de la Société des dessinateurs humoristes’ (1926) waarin de tekenaar zichzelf voorstelt (opgeduikeld in de onvolprezen Gallica-database).

De man met telefoonnummer 763 heeft een rijk portfolio en er valt een hoop, een hele hoop, over hem te vertellen, waarbij sommige zaken hem beslist in een ongunstig daglicht stellen. Maar laten we ons beperken tot een blik op zijn absolute specialiteit:


Het tekenen van paarden… iets wat hij bij het Weekblad in ruime mate mag doen:


Misschien verklaart het, in zekere zin, ook zijn bijdrage aan deze beruchte uitgave:


La volupté du fouet (‘Het genot van de zweep’), met twaalf opzwepende illustraties van Étienne Le Rallic onder een pseudoniem waarover we zachtjes mogen hinniken: Fanny.


Het betreft hier een heuse spanking-klassieker die stamt uit 1938, het jaar waarin ook Hergé de karwats laat knallen:


Ja, heel andere koek.

Was Hergé op de hoogte van diens scabreuze werk toen hij nieuwe medewerker Le Rallic in de maag kreeg gesplitst? Want dat is wat hem als artistiek directeur van het Weekblad overkwam: grote man Raymond Leblanc contracteerde hem zonder Hergé vooraf te informeren. De Tekenaar had het maar te slikken, maar aan zijn Nieuwsjaartafel gunde hij, naast Jacobs met machinegeweer en Laudy met doedelzak, de Fransman met zijn zweep geen plekje.

dinsdag 3 april 2018

Hij heeft de langste! / Hergé a le plus gros!


I.
‘En wat is er mis met een tong Picasso?’ vraagt Scudder zich af in een mail-op-hoge-poten. Zelfs gaat hij zover het monstrum zingend op te voeren (‘Ben ik te min…?’).

‘Wat is er niet mis met de tong Picasso?’ wilde ik antwoorden. Een beetje kok stort geen fruit uit over een vis, laat staan eentje die zo prijzig is. Althans, dat dacht ik. Om vervolgens te stuiten op Filets de Sole Véronique, tongrolletjes in druivensaus, in een receptenboek van niemand minder dan Escoffier. Nog erger: de Franse chef heeft begin jaren dertig een bruut recept voor tongfilet met banaan gepubliceerd – noem het een instemming van hogerhand met een vergrijp dat in Nederland al in 1919 op de kaart stond:


Lunchmenu van het Palacehotel in Scheveningen. Gelukkig ligt, zo vlak na Pasen, het Lucasevangelie nog op de eettafel: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen.

Overigens weten we uit de overlevering dat Picasso liever pasta at.

II.
Aan tafel!


Beeldrijm uit Essay RG van Huib van Opstal. Nu ja, beeldrijmpje, schrijft Ivo Mans die me erop attendeerde. Links een banket in het Palazzo Nanni, rechts het tafelgezelschap waarover we nog niet zijn uitgepraat. De vraag luidde immers: welke ongerijmdheden zien we nog meer in dit wonderlijk samenzijn?

Om te beginnen:


Kijk eens goed naar het pootje aan het glas van Hergé. De tekenaar heeft ontegenzeglijk de langste! Herr Doktor Riklin constateert: ‘Duidelijk een geval van onbewuste overcompensatie.’

Ook opmerkelijk: voor een gezamenlijke nieuwjaarstoost zijn er opvallend veel gasten (tel maar na) die het glas niet heffen. Scudder voegt daaraan toe: ‘Iedereen heeft een glas binnen handbereik, zelfs Jo en Zette, maar Laudy niet, die zit op een droogje. Of dronk hij direct uit de fles?’

III.
Mike van der Veer duidt de herkomst van het paard aan tafel (het Ros Beiaard uit de strip van Jacques Laudy die toen in het Weekblad liep, De legende der vier heemskinderen). Maar wie verschuilt zich er nu achter?


Ik keek niet goed of er zat vismeel in mijn ogen. Diverse lezers wezen me erop dat het verscholen personage wel degelijk een naambordje heeft: Allard, ofwel: een van de vier heemskinderen, naast Renaud, Richard en Guichard.

Werpen we toch nog een laatste blik op dit excentrieke ensemble… om dan pas te ontdekken dat niet alle tekenaars zijn aangeschoven. Want waar is…?

Donderdag verder

woensdag 28 maart 2018

Een verdorven samenzijn met Hergé


Groots familiediner met Pasen. In een wegrestaurant, want: eenvoudig bereikbaar en een makkelijke kaart. Uit de grillige bloedlijn van S. zijn nogal wat heikneuters ontsproten die niet snel iets lusten, vandaar.
‘We kunnen een ziekte veinzen,’ opperde ik, bevreesd voor de confrontatie met een Holsteiner schnitzel en een tong Picasso. Maar S. was onbuigzaam. ‘Ik wil mijn familie niet enkel op uitvaarten zien,’ zei ze, en ook: ‘Je gaat maar mooi mee.’ Over dat ‘...maar mooi...’ moest ik nog lang nadenken.

Plaatje!


Het Weekblad-omslag van 2 januari 1947, met een nieuwjaarswens van Kuifje die ik erg kazig vind:


Wie er oprispingen van krijgt, kan verhaal halen bij de vertaler:


Hoe dan ook is het een boodschap die sterk contrasteert met de verdorvenheden die we bij de gasten aantreffen.

Edgar P. met machinegeweer:


Jacques Laudy met zijn onafscheidelijke doedelzak:


... een instrument met, al sinds de late middeleeuwen, een dubbelzinnige, erotische betekenis (check toch vooral het werk van Jeroen Bosch).

Haddock, omringd door sterke drank:


En dan is er ook nog dat paard... in de oudchristelijke literatuur een symbool van hoogmoed en wellust. Daar ga ik verder niet op in. Ik vraag me wel af wie zich, zonder naambordje, achter dat beest verschuilt:


Ik gok op een opgelaten Germaine.

Tot besluit: waarom kijkt Blake (als enige) zo sikkeneurig? Is het omdat zijn partner Mortimer zijn haar zwart heeft geverfd?


Onderwijl paft Hergé er lustig op los:


Hier springt nóg een merkwaardig detail in het oog, maar dat laat ik over aan de lezer. Wie nauwkeurig kijkt, ziet nog tal van andere ongerijmdheden in dit wonderlijke gezelschap. Wees vooral niet terughoudend in het delen daarvan: tintinperdu@gmail.com. Fijne paasdagen en tot dinsdag!

donderdag 22 maart 2018

Zeven jaren ongeluk !


Vandaag precies 75 jaar geleden:


22 maart 1943. We bevinden ons in de aanloop van de RACKHAM-expeditie en in zijn dagelijkse strookje voor Le Soir maakt Hergé van Haddock een pias die voor het eerst een lachspiegel ziet. Alsof de oude zeebonk nog nooit een kermis heeft bezocht... of een stomme film gezien:


Harold Lloyd in Number, Please?.

Enfin, Kuifje legt de zaak op z’n padvinders uit: ‘miroir concave’, ‘miroir convexe’. Maar de Kapitein vertrouwt het niet:


Let op het middelste prentje: onhandige afbeelding van een onhandige actie - misschien wel een gevalletje Klamme Lijn, hoewel ik me afvraag of ‘iets uit je handen laten glippen’ voor een tekenaar niet gewoon een onvertaalbare handeling is.
Het antwoord van de handelaar op de kreet van Haddock (‘Zeven jaar ongeluk!’) pleziert me dan weer: ‘En 150 francs voor de spiegel.’

En weg is hier het gecalculeerde lolletje:


Dan deed het Britse vertaalduo Turner/Lonsdale-Cooper toch beter z’n best:


Wat die zeven jaar ongeluk betreft:


Gelijknamige komedie van Max Linder, uit 1921. De baanbrekende Franse komiek was, met Harold Lloyd en Buster Keaton, wekelijkse filmkost voor de jonge Georges.

Net als de Tekenaar grossierde de filmster in innerlijke demonen. Dat liep op zaterdag 31 oktober 1925 (officieel de eerste werkdag van Georges bij de uitgever van Le XXe Siècle*) hartstikke verkeerd af:


Het Algemeen Handelsblad rapporteert drie dagen later, op onnavolgbare wijze, over de hoed en de rand:


Ach, die verdomde put onzer droefgeestigheid…!


*) En omdat in het universum van Hergé tussen alles en iedereen klare lijntjes lopen: de Brusselse filmhistoricus en -journalist Paul Davay schreef in de jaren zestig een fraaie analyse over de stijlelementen in de films van Max Linder. Vraag van de week: wat is de link tussen Davay en Kuifje?

maandag 19 maart 2018

De vrouw die Hergé te snel af was


Buiten was het min drie, binnen keken we naar het broeierige Coup de torchon - Frans filmdrama uit 1981 waarin Philippe Noiret excelleert als tropische bromsnor die, eind jaren dertig, stierlijk verveeld door de stoffige straten van een West-Afrikaans stadje sjokt. Hij is de slimste niet, wordt gesard door zijn collega-kolonialen:


...en dan slaan natuurlijk de stoppen door. Subtiele wraak, dito bloedbad.

Laten we zeggen dat de film het niet meer haalde bij de herinnering eraan (de makke van de doorsnee klassieker). Het is wél een excuus voor een duik in de eigen koloniale geschiedenis:


Koloniaaltje van achtereenvolgens M.C. Kooij van Zeggelen (eerste uitgave, 1920) en van Marie C. van Zeggelen, goedkope herdruk.

Daar zullen we de schrijfster hebben, rond 1905, aan tafel (tweede van links) tussen de kolonialen op Zuid-Celebes:


Met rechts haar man, kapitein H.A. Kooij, die ze in 1890 naar Nederlands-Indië volgde en van wie ze in 1921 scheidde.

Herman (zelfs zijn schoentjes zijn wit) hakte met zijn troepen in op de opstandige bevolking, Marie verveelde zich voornamelijk rot in de coterietjes van de officiersvrouwen. Niettemin leeft ze helemaal op en zijn er prachtige verhalen over de schrijfster te vertellen*, maar we beperken ons tot haar autobiografische roman Koloniaaltje. Met een goede reden: op pagina 33 duikt zomaar een bekende naam op…


…met bekende karaktertrekken:


Een berg van idealen, goed willen doen, een geweten, geheelonthouding, een rein leven, een neiging tot preken: negen jaar vóór de Kuifje van Hergé blinkt de Kuifje van Van Zeggelen al uit in fabelachtige deugdzaamheid.

En wat Georges presteerde in zijn tekenstudio, bereikte de auteur in haar schrijfkamer:


Klare lijnen!


*) KLIK ! voor haar nogal uitbundige biografie (op Wikipedia, maar zeer leesbaar).