donderdag 24 september 2020

De gevouwen lotus



Links: fragment van het oorspronkelijke LOTUS-omslag. Rechts: de herziene versie (waarin de afmetingen van Bobbie nogal buiten proporties zijn). Er is de Tekenaar in het voorjaar van 1936 veel aan gelegen om het eerste ontwerp er doorheen te krijgen. Maar er hangt een pittig prijskaartje (1150 franc) aan het drukcliché van het kleurtechnisch complexe werkstuk.

Et la vente vous le rendra au centuple, comme il est prouvé par les Saintes Écritures…

… schreef Georges eerder al (in februari 1936) aan Charles Lesne van Casterman. De verkoop van het album zal u het honderdvoudige teruggeven. Niettemin trekt hij aan het kortste eind en moet er een nieuwe omslagillustratie komen.

LOTUS zal overigens traag verkopen. Hergé heeft een eerste contract getekend voor 5800 exemplaren*, leverbaar in de winkels vanaf oktober 1936. In maart 1937 ontvangt hij deze afrekening:


Na zes maanden zijn er 2326 exemplaren van het Chinese avontuur van Kuifje verkocht. Tweeënhalf jaar later, in september 1939, liggen er nog steeds bijna zevenhonderd onverkochte albums in de depots in België en Parijs. Toch rolt er in diezelfde maand een nieuwe oplage van 3700 exemplaren van de persen.

Maar genoeg over de cijfertjes. Laten we eens kijken of ze bij Casterman druktechnisch wél uit de voeten konden met het tweede omslagontwerp:


Links het origineel, rechts het omslagfragment van een LOTUS-album dat drie jaar geleden werd geveild voor ruim elfduizend euro. Veilinghuis Coutau-Bégarie sprak van een ‘exceptionnel album à l'état proche du neuf’ met een ‘petite image collée sans aucun défaut’. Over dat laatste valt te twisten – onmiskenbaar zijn in het drukprocedé fijne details uit het origineel verloren gegaan. Hoewel het natuurlijk altijd erger kan:





*) De albums kostten 20 franc. Hergé ontving 3 franc per exemplaar, gecorrigeerd naar inflatie is dat vergelijkbaar met twee euro.

dinsdag 22 september 2020

Het mysterie van de zes vouwen



De post bracht Aux principes d’honnêteté (‘Beginselen van eerlijkheid’) uit 2018 – zonderlinge revelaties van de huidige kasteelheer van Molensloot, Nick Rodwell, waarin hij een voorschot neemt op de strijd die dezer dagen in volle hevigheid is losgebarsten.

Dit is de inzet:


Het oorspronkelijke ontwerp dat Hergé in 1936 maakte voor de eerste albumuitgave van LOTUS. Prachtig, maar indertijd door het kleurgebruik technisch te kostbaar om te drukken. Georges maakte een nieuw meesterwerkje...


... en gaf het afgewezen omslag cadeau aan Jean-Paul Casterman, zoon van zijn uitgever. De kleine dondersteen, 7 jaar oud, vouwde het op en borg het weg. Vandaar: zes vouwen!

Zicht op het uiteinde van de middenvouw:


Punt waar de eerste diagonale vouw samenkomt met de middenvouw:


Aanvang van de middenvouw met omliggende schade:


Vouwen in de pantalons van Hergé en Tchang Tchong-jen, Brussel, 1935.


Maar ik dwaal af. Lang verhaal kort: 21 november gaat het verworpen LOTUS-omslag bij Artcurial onder de hamer. Het Parijse veilinghuis gokt op een recordopbrengst van minimaal twee miljoen euro. Rodwell is woest en zette vorige week in een interview met Le Soir (KLIK!) de boel op scherp. De enige rechtmatige plek voor het werkstuk is volgens hem in het Hergé-museum in Louvain-la-Neuve. Rodwell:

‘Door de verkoop zet de familie Casterman haar geloofwaardigheid op het spel. Ongelooflijk dat dit werk in het openbaar geveild gaat worden. Ik doe een beroep op de christelijke waarden van de familie Casterman, van wie de geschiedenis persoonlijk is verbonden met de beginselen van eerlijkheid uit de bijbel, alsmede de nobele inborst van Kuifje en zijn geestelijk vader.’

De beginselen van eerlijkheid uit de bijbel, ofwel: de principes d’honnêteté. Wie Rodwells verbetenheid in deze kwestie wil begrijpen, pakt het gelijknamige boek er nog even bij:


In het ontroerende, laatste hoofdstuk schrijft de man van Fanny openhartig over de betekenis van de plooien in dit vroege werk van Hergé:

‘Zes zichtbare vouwen. 6. Het cijfer dat staat voor harmonie en liefde. Maar opgelet: om tot zes vouwen te komen, hoefde de kleine Jean-Paul slechts drie vouwbewegingen te maken. Drie is een heilig getal. In deze Lotus, bedenk ik tot tranen toe bewogen, openbaren zich de drie vaders: Abraham, Isaak en Jakob. Plus ça va, plus je suis convaincue que le hasard n'existe pas!’

Toeval bestaat niet… Dixit Nick Rodwell. Nog zestig dagen te gaan tot de veilinghamer valt, de gemiddelde draagtijd van een draadharige foxterriër. Er kan nog veel gebeuren.

maandag 21 september 2020

Elf dagen ploeteren


Raketten kan iedereen maken, maar pâté niet. Dixit Cees Nooteboom.

We zijn, waarde PERDU-lezer, nog niet helemaal klaar met de maanraket van Hergé – want hoe hoog is dat ding nou eigenlijk? De Tekenaar voegde aan het album een oersaaie pagina met het ontwerp toe (als kind verstijfde ik al bij de opengewerkte, technische tekeningen met genummerde toelichting* in de Kijk), maar rept nergens over de afmetingen.

Het ontbreekt dan weer niet aan een consensus over de geschatte hoogte, inclusief een rekensommetje op basis van de tekening rechts…


… in het Weekblad van 2 juli 1952. De nijvere Bob de Moor heeft er elf dagen op geploeterd, dit is het origineel (in groot formaat):


Exclusief onze helden linksonder, in de jeep met de uit zijn vel gesprongen Zonnebloem, tel ik bijna zeventig (70) werklieden. Het is me niet helemaal duidelijk wat ze allemaal uitvreten:


…maar laten we niet vergeten dat we in Syldavië zijn, stellig een land dat met zwendel een gunstig werkloosheidscijfer probeert te behalen. Let overigens ook op de plateaus die vanuit de lanceertorens naar de raket kunnen schuiven. In dat detail begaan uitgerekend de consciëntieuze De Moor en Hergé een uitglijder van jewelste.

Wordt vervolgd!


*) 83. Bedieningsstang voor rolroer. 100. Neuswielkast.

donderdag 17 september 2020

Hergé & De ramp met de witte raket


Hij bestaat dus wél, een maanraket zonder het iconische kleurpatroon:


Links de lancering van de rood-wit geblokte testraket uit LUNE, rechts de lancering van de witte testraket uit ‘Hergé’s Adventures of Tintin’ – de animatiereeks uit eind jaren vijftig, begin jaren zestig, geproduceerd door de Belvision Studios met Hollywood-partners Larry Harmon en Charlie Snows.

Het Amerikaanse duo kwam in 1959 naar Brussel om de contracten te ondertekenen. Hergé was er niet helemaal gerust op en schreef nadien een lange brief aan Harmon:

‘Ik vraag u, my dear Larry, mijn personages niet tot schema’s te herleiden, ze moeten menselijk blijven. (…) In Europa geloven de kinderen in Kuifje. Ik zou willen dat de Amerikanen er ook in geloven.’

Kort fragment uit wat zich niet anders laat lezen dan een wat naïeve smeekbede. Voelde Harmon, indertijd de grote man achter het succes van Bozo the Clown, zich erdoor aangesproken?

Georges kreeg het antwoord tijdens een privéprojectie van de eerste, in de VS gemaakte aflevering van Objective Moon (het avontuur beslaat 22 afleveringen* van elk vijf minuten). Laten we ons even in de Tekenaar verplaatsen en met hem meekijken. Draai het geluid wat hoger, ga er goed voor zitten... Klaar?

Het licht dooft, de projector start, de spoelen draaien, een vertrouwenwekkend geluid dat alle aanvankelijke scepsis verjaagt. En dan:


In space no one can hear you scream.

Wat de testraket betreft: we weten hoe het daarmee afloopt in het album, Trifonius Zonnebloem blaast ‘m eigenhandig op:


In de vroege televisieserie is dat uitgesloten omdat Bobbie aan boord is. Zo hebben Harmon en Snows het bedacht: Bobbie is door een spion opgesloten in de testraket waarna Kuifje naar de maan zal reizen om zijn trouwe kameraad te redden. Het heeft allemaal een hoog Scooby Doo-gehalte, tot de vervanging in beeld komt van het fraaie maanvoertuig…


…en we zomaar een aflevering van The Jetsons binnenzeilen.

En zo verdampt de ene verhaallijn na de andere in het luchtledige. Kolonel Jorgen blijft in leven, Wolff pleegt geen zelfmoord en de raket crasht bij terugkeer in de bergen. Onze helden worden ongedeerd uitgezaagd, Bobbie is gered en, mogen we aannemen, Hergé schenkt nog een dubbele whisky in - zijn Kapitein heeft in dit smartelijke televisieproject (dat niettemin veel heeft betekend voor de wereldwijde populariteit van zijn held) de sterke drank moeten inruilen voor koffie.


*) Het Amerikaanse Heritage Auctions veilt momenteel (KLIK!) het storyboard van aflevering 6:



dinsdag 15 september 2020

Icoon naar de maan


Naar Art Eindhoven, in de DS Berline van een bevriende galeriehouder die bijna opgewekt keuvelde over de krimpende kunstmarkt en de uitdijende roestnesten onder de plaatdelen van zijn klassieker. Twee maanden geleden heeft hij een prostatectomie ondergaan. Nu zoefden we als deelgenoten in een fysiek hiaat (hij mist zijn prostaat, ik een long) in een stervende Snoek richting lichtstad.

Op de kunstbeurs in het oude klokgebouw van Philips legden de schaarse uitschieters het af tegen een overschot aan ketellapperswerk. Ontgoocheld dropen we af naar de binnenstad voor een fatsoenlijke lunch - en toen pas verloor ik mijn blik:


De maanraket met de iconische kleurvlakken… in zwart-wit. Wie koopt zo’n gemankeerd symbool? De liefhebber die is opgegroeid met de krantenstrip? Maar daarin bestaat het ontkleurde dambord slechts uit haarlijnen:


Deel van de toelichtende tekst in de etalage: ‘Deze nieuwe raket is van ayous-hout gemaakt en is 161,5 cm hoog. Dit prachtige object is op de vakken van het album Mannen op de maan geïnspireerd en op basis van hoogwaardige materialen gerealiseerd.’


Tijdens de rit terug googelde ik op ayous. Het is Afrikaans vurenhout, hier toch vooral bekend als abachi. Het hout, las ik, is niet duurzaam, vatbaar voor aantasting door schimmels en bovendien erg gevoelig voor termieten, kruitkevers en drooghoutboorders. De houtpulp kan worden gebruikt om papier van matige kwaliteit te produceren. Daarop kun je dan weer malle verkooppraatjes drukken.

vrijdag 11 september 2020

Ontsnapt aan het jagersvuur (3 en slot )



Links: de door de hoofdpersoon voorspelde (en ridicule) zonsverduistering in de Classic Illustration-versie van King Solomon’s Mines. De klassieker uit 1885 is aanwijsbaar als een van de vele mogelijke inspiratiebronnen voor, rechts, de voorspelde zonsverduistering in TEMPLE.

Hergé maakt in het album een uitglijder door de eclips vanaf de rechterkant van de zon te laten beginnen. Maar onze helden bevinden zich op het zuidelijk halfrond en daar vangt een correcte zonsverduistering op links aan, een richting die in de oorspronkelijke Weekblad-versie wel klopt:


Hier wordt mijn aandacht vooral getrokken door de uitbundig antieke verbeelding van de zonnestralen. Voeg er ogen, neus en mond aan toe en je hebt een goede kandidaat voor de hoofdrol in ‘Le Voyage à travers l'impossible’ van die andere Georges:


Korte film van Georges Méliès, uit 1904.

Eerder al verbeeldde de Franse filmpionier een reis naar de maan. Drie jaar later bracht hij zon en maan samen in ‘Eclipse de soleil en plein lune’, vooral ook bekend als ‘The courtship of the sun and the moon’ – een werkstuk dat zich laat kenschetsen als ‘the most sexually explicit film the art form had seen by 1907*:


Voorbereidende schetsen voor dit verholen cohabitatiefilmpje maakte Méliès al in augustus 1906. Negen maanden later vond de eerste vertoning plaats in Frankrijk.
Negen maanden later werd ook Georges Remi geboren.

Je moet het zien om het te geloven.


*) Citaat uit ‘Ah, the Eclipse: In Which the Sun and Moon Have Sex’ – korte beschouwing met link naar het volledige filmpje.

dinsdag 8 september 2020

Consternatie na een boekpresentatie


Naar Vierlingsbeek voor een illegale boekpresentatie – met de voetnoot dat niet de presentatie illegaal was (men hield zich keurig aan het coronaprotocol), maar het boek:


Nederlandstalige pirateneditie van ‘Le rayon du mystère’, het Jo, Suus en Jokko-avontuur zoals dat tussen januari 1936 en juni 1937 verscheen in de Coeurs Vaillants:


Let op de verrukkelijke malligheid van de steunkleur waarbij politieagenten hun dienstwapens dragen in knalrode holsters.

Er werd zaterdagavond een alleszins zeer verzorgde publicatie ten doop gehouden, maar - eerlijk is eerlijk - daarvoor was ik niet naar Noord-Brabant gereisd. Alleen voor dit wilde ik, met mijn resterende long in een dompig zaaltje, mijn leven in de waagschaal stellen:


De zeer luxe extended hors commerce-editie van STRAAL. Oplage 15 exemplaren, bijna 500 pagina’s, opgeborgen in een wonderschone schuifdoos met spotvernis:


Meesterproef van een oude rot in het wereldje van de ultra-tintinologie, die hier al eens eerder voorbij is gekomen: Hidde van Wijck-De Kempenaer. Aardige vent, tikje kakkineus, hij bekende voor deze labour of love het familiekapitaal te hebben aangesproken:


Het honderden pagina’s tellende dossier achterin is een goudmijn van onbekende feiten en dito beeldmateriaal. Absoluut hoogtepunt: de transcriptie van het mythische interview (25 pagina’s!) dat Karel Van Milleghem, hoofdredacteur van Weekblad Kuifje, halverwege de vorige eeuw afnam in Beersel:


Hergé en Willy Vandersteen in de Beerselse herberg. Tot grote verrassing van Van Milleghem nam Vandersteen het interview over en zaagde Hergé door over de totstandkoming van de Jo, Suus en Jokko-reeks. Wat dan volgt, is een adembenemend openhartig gesprek van twee grootheden uit de Negende Kunst die voor één keer geen blad voor de mond nemen en zelfs de intiemste details niet schuwen.

Ik kon mijn geluk niet op. Van Wijck-De Kempenaer duwde me (‘Voor jou. Gratis.’) een van de vijftien exemplaren in handen. En een biertje. En nog een biertje. En... Ik herinner me dat we later op de avond verder dronken in een lokaal café dat De Wildeman heette. Hoe ik ben thuis gekomen, herinner ik me niet.

Zondagochtend, met een hoofd als een te krappe tekstballon, zocht ik vergeefs naar de luxe schuifdoos met inhoud. Had ik ‘m wel meegenomen? Ten einde raad belde ik het nummer van Van Wijck-De Kempenaer. Zijn vrouw nam op en verklaarde dat haar man al vier jaar dood is, verongelukt op de grasdrafbaan in Emmeloord.
Verbouwereerd hing ik op.
‘Mag je eigenlijk wel drinken,’ vroeg S., ‘met al die medicijnen die je slikt?’


Vrijdag: Ontsnapt aan het jagersvuur (3 en slot)

vrijdag 4 september 2020

Ontsnapt aan het jagersvuur (2)


De kroniek van kapitein Paulis in het land van de kannibalen kent, zoals dat gaat met broodjeaapverhalen, vele verschijningsvormen. Zelfs het kannibalisme van zijn belagers is geen terugkerende zekerheid. Zo is er een versie waarin de ongelukkige officier en enkele van zijn manschappen hoog in een boom hangen, geboeid in een lianennet dat bij het vallen van de avond in brand zal worden gestoken.

Toegegeven, ik moest daarbij aan Tarzan denken, maar vooral aan de finale van het korte verhaal Hop-Frog:


The eight corpses swung in their chains, a fetid, blackened, hideous, and indistinguishable mass.
Laat de onversneden gruwel maar aan Edgar Allan Poe over!

Dus helemaal uit de lucht gegrepen, dat avontuur van de Belgische kapitein? Dat ook weer niet. Onderzoeker en wetenschapsjournalist Marc Dassier verdiepte zich in de dagboeken van Paulis, uit 1925. Die is dan inmiddels opgeklommen tot kolonel en gestationeerd in Irak (dat bij de verdeling van het Ottomaanse rijk door de Volkenbond onder Brits mandaat is gekomen). In zijn onderzoeksverslag blikt Dassier* summier terug op de expedities van Paulis in Congo en daarbuiten:

Paulis established Belgian posts in the region of Bahr El Ghazal in southern Sudan. The Belgians wanted to explore, to make scientific observations and to fight against slavery, but above all they wanted to control the region. By predicting a lunar eclipse that took place at the best moment, A. Paulis terrorized the local tribal leaders, the partly arabized and superstitious Azande sultans, and in this way he was the first to gain control over this hostile territory.

Fragment uit een Engelstalige adaptatie (KLIK!) van het rapport. Bronnenvermelding ontbreekt hierin en ik had graag meer details gelezen, maar niettemin: het broodjeaapverhaal met kannibalen en kookpot lijkt zomaar een authentiek ingrediënt te bevatten.

En Hergé? Maakte hij als brave scout bij het kampvuur voor het eerst kennis met de goocheltruc waarmee Paulis zogenaamd aan de kannibalen ontsnapte? Of was domweg deze wereldberoemde klassieker…


…de meest voor de hand liggende inspiratiebron voor het sluitstuk van TEMPLE? Verstripping uit de populaire Classic Illustrated-reeks, met een wel erg onnozele verbeelding van een zonsverduistering. Maar ook Hergé maakte daarbij een flinke uitglijder.

Dinsdag verder.


*) Voor een wetenschapsjournalist heeft de naam ‘Marc Dassier’ overigens opvallend weinig treffers op internet. Een aantal daarvan verwijst ook nog eens naar ‘Marc Dacier’, hier bekend als Flip Flink, de stripserie waarvoor scenarist Jean-Michel Charlier onbeschaamd leentjebuur speelde hij Kuifje.

woensdag 2 september 2020

Ontsnapt aan het jagersvuur (1)



Wie hebben we hier? Foto uit 1905 (état quasi neuf) met links de Belgische legerofficier Albert Paulis geflankeerd door, rechts, de onderworpen sultan van Bahr-el Ghaza, Mangué.

Aan de pantalon van de eigengereide kapitein Paulis, belast met wetenschappelijke en diplomatieke missies, klitten plenty sterke verhalen, met name over zijn expedities in de Lado-enclave (indertijd deel van de Congo-Vrijstaat, tegenwoordig onderdeel van Zuid-Soedan en Oeganda). Geen haan die er overigens nog naar kraait – maar één anekdote lijkt onverwoestbaar.

Tijdens een expeditie in het noordoostelijk deel van Congo worden Paulis en zijn manschappen gevangen genomen door leden van de lokale Mangbetu-stam. De vooruitzichten zijn, op z’n zachtst gezegd, onplezierig: dit is stellig niet het domein van vleesverlaters. De Mangbetu’s zijn hartstochtelijke kannibalen, de kookpot hangt reeds boven het jagersvuur.


Welzalig is dan ook Paulis’ levensreddende inval. Heeft hij niet onlangs in zijn almanak gelezen dat juist deze ellendige avond een maansverduistering zal plaatsvinden? ‘Als u ons ook maar één haar krenkt, dood ik de maan!’ schreeuwt hij naar zijn belagers. ‘Poehpoeh nounou’, antwoordt Mangbetu-chief Yembio onaangedaan. ‘Laat maar eens zien dan, tettergat.’

Enfin. Maan verdwijnt. Iedereen in paniek. ‘Oh, maan, keer terug!’ gebiedt Paulis. En zie. Opluchting alom. De ganse stam onderwerpt zich aan de Belgische kolonisator, want wát een tovenaars heeft die in dienst.

Zo apocrief als maar wezen kan, en toch ook weer niet (maar daarover later meer). Vervang de maan door de zon, kannibalen door Inca’s en een legerkapitein door een reporter in een ‘nachthemd’*, schuif veertig jaar vooruit in de tijd en…


Haalde Hergé de mosterd uit de verhalentrommel van de bijdehante Paulis? Of...?

Vrijdag verder


*) Dixit Haddock

maandag 31 augustus 2020

Een nieuwe poging



Je was kind en alles was er, weet je nog,

bijna niemand was dood en je was zo klein

als de wereld om je heen, drie straten en een schoolplein,

de geheime plek in de bosrand, jouw boom, het parkje

met de groene schaduwen achter de heg, alles was er

en het zou er altijd zijn want niemand kwam op het idee

daar iets aan te veranderen en je weet ook nu niet meer

hoe alle dingen gingen schuiven, hoe struiken of jurkjes

zich openden als een theaterdoek met uitzicht op iets

wat je nog niet zien mocht, iets wat eigenlijk voor later was,

misschien was er een kijkgat in de schutting – en dat je jezelf,

geen kind meer, aan de andere kant van de schutting terugvond

en je afvroeg hoe je daar gekomen was, maar vooral

waar de wens dat alles steeds weer anders moest vandaan kwam,

en dat je nu pas begrijpt dat wat je doet alleen een poging is

om die dingen terug te veranderen naar de tijd

dat alles er altijd was, zoals het was toen je nog kind was,

alles was er, weet je nog, bijna niemand was dood

en je was zo klein als de wereld om je heen.



Achter de schutting, van Ingmar Heytze. Uit: Elders in de wereld (2008).


woensdag 29 juli 2020

Een vale blauwe schijn



De 86-jarige Georges Remi, een van de meest gerespecteerde Belgische abstracte schilders en (in 1945) oprichter van de toonaangevende La Jeune Peinture Belge-groep, wijst naar zijn Composition sans titre, uit 1929. Deze vroege schepping, die van beslissende invloed was op leven en werk van Joan Miró, is onlangs door de Fondation Kieckens geschonken aan het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Daar krijgt het, zo verneem ik, een plek tegenover La Buveuse d’absinthe van Léon Spilliaert.

De slungelachtige Remi gaat hier vanaf september weer op de snijtafel. Over De Absintdrinkster moet ik nog wel iets kwijt. Kijk even mee...


...en zie de verschrikte, holle ogen, maar let vooral op de vale blauwe schijn. Als een geestesgesteldheid een kleur kan hebben, dan is het dit wat er de voorbije maanden in mij schemerde.

‘Le bleu est une couleur chaude,’ zei Georges diverse malen tegen zijn Zwitserse psychiater Franz Niklaus Riklin. Die nam het voor zoete koek aan en gebruikte de bezwering zelfs als titel voor zijn autobiografie:


Zelf weet ik inmiddels wel beter. De kunstenaar kon ontzettend goed liegen.

Tot september!

vrijdag 24 juli 2020

‘Wat aangevangen, donder, hel en hagel?’



Et moi, je suis encore là. Ik ben er nog, beste Perdu-lezer, en het verlangen is groot er, net als vorig jaar, verder geen woorden aan vuil te maken. De jonge Georges, alias Nieuwsgierige Vos, zou het beslist toejuichen (‘Een padvinder glimlacht en fluit onder alle omstandigheden’), maar in zijn kundigheid van ontveinzing kan ik de Tekenaar ditmaal onmogelijk volgen.

Dus.

Hoe gaat het?

Het gaat zozo. Sinds half januari ben ik incompleet (wat, besef ik nu, nogal een bekentenis is voor een verzamelaar). Van twee longen naar één. Operatie geslaagd, patiënt ontregeld. Aan die laconieke constatering klit een fors plak zelfmedelijden. In de lange nasleep van de ingreep liep ik zo vaak tegen beperkingen en grenzen op, dat het me zwaar viel nog een lichtpuntje te zien. Na bijna een half jaar begon de vrees veld te winnen dat de extreme vermoeidheid en de onverschilligheid niet tijdelijk waren. Om Haddock te citeren: ‘Wat aangevangen, donder, hel en hagel?’

Niettemin, de vertwijfeling heeft geen vrij spel meer. Sinds een zoveelste aanpassing van doses en combinatie van medicijnen, begin deze maand, lijkt er iets van een herstel in te zetten. Ik durf heel voorzichtig ergens op te hopen en zelfs een tikje naïef deze afspraak te maken: begin september verder met dit blog. Als vanouds en alsof er niets aan de hand is, omdat er waarachtig geen eind is aan Kuifje.

dinsdag 24 december 2019

Een verraderlijke slotvraag


Waar waren we? Bij niemand minder dan professor Faust die hier zojuist zijn ziel heeft verkocht aan de duivel:


Mephisto, als vertegenwoordiger van Lucifer, wijst vrolijk theatraal op het pact dat de professor met eigen bloed heeft ondertekend.

De verraderlijke slotvraag tijdens de jaarlijkse quizavond van de Vlaamse alliantie van extreme tintinologen luidde: wat heeft deze afbeelding te maken met de jonge Hergé?

Wel, vergeet het beeld, het gaat om een heel andere ondertekening, die van de fotograaf:


Julius Schär heeft een fotostudio op de Maria-Theresien-Strasse in Innsbruck. Enter de padvinder Georges Remi:


Het is vrijdag 15 september 1922, 14.25 uur en de jonge Georges alias Nieuwsgierige Vos poseert (rechts) tijdens een reisje met zijn scoutinggroep op de stoep van de barokke Maria-Theresian-Strasse in Innsbruck.

Voor de grootste attractie van deze plek moeten we even uitzoomen:


Reken maar dat de bergtoppen van de Noordketen indruk maken op een jochie van vijftien uit Brussel.

De rode cirkel geeft de plek aan waar hij ongeveer stond, in dit geval recht voor het gebouw (en schuin onder diens uithangbord) waar Julius Schär zijn fotostudio had:


Julius is op dat moment al bijna vijf jaar dood, de zaak is nu in handen van zijn vrouw Frieda, die er tevens zorgdraagt voor de opvoeding van hun zevenjarige dochtertje Herta.

Misschien heeft Georges na het poseren nog even omhoog geblikt en gezwaaid naar het kleine meisje dat met haar neus tegen het venster stond geplakt. Herta overleed begin dit jaar (17 februari 2019) op 103-jarige leeftijd. In de Wiener Zeitung haalde ze vorig jaar nog herinneringen op en sprak ze over het tragische overlijden van haar vader Julius.

Ook ik knijp er tussenuit, waarde PERDU-lezer, zij het slechts voor even. Ik wens u fijne feestdagen en bovenal een gezond 2020. Wees als Nieuwsgierige Vos: blijf kijken, blijf luisteren. Voor oogdruppels en oorspray kunt u tijdens mijn afwezigheid als vanouds contact opnemen met zuster Fanny, toestel 421.

donderdag 19 december 2019

De tragische ondergang van Popo Kabaka


D. nodigde me uit voor de jaarlijkse quizavond van de ETA, de Vlaamse alliantie van extreme tintinologen – een gezelschap waarin de grens tussen wijsheid en waanzin niet altijd even duidelijk is. Niettemin bereikte ik de halve finale, na het juist beantwoorden van de strikvraag over het praktijkadres van Armand Schovaers, de huisarts die Elisabeth Dufour hielp bevallen van de kleine Georges.

Spannend werd het in de voorlaatste ronde toen mijn opponent al halverwege het stellen van deze vraag op de knop drukte:

‘In de oorspronkelijke publicatie van OREILLE haalt onze jonge held een boek uit zijn thuisbibliotheek waarin hij meer hoopt te lezen over de Arumbaya’s. Noem…’

Naast mij klonk het razendsnelle antwoord: ‘Voyages aux Amériques van CH.J. Walkerss, met dubbel S, uitgeverij Graveau en jaar van uitgave 1853’.

Zelfgenoegzaam lachje. De armen gingen al omhoog. Maar het antwoord bleek niet correct, omdat de vraag heel anders luidde:

‘Noem het figuurnummer bij de afbeelding van de Arumbaya-indiaan in deze uitgave uit 1853 en geef exact aan wat hij in zijn linker- en in zijn rechterhand heeft.’

Kat-in-het-bakkie, natuurlijk, het goede antwoord popte meteen in me op. Figuurnummer 125. In de linkerhand een gifpijl. In de rechterhand een blaaspijp. Duh!


Helaas, in de finale ging ik alsnog onderuit toen we een volle minuut deze foto mochten bestuderen:


…waarna de vraag luidde:

‘Wat is de link tussen deze afbeelding en de jonge Hergé?’

Ik drukte als eerste en zweeg beschaamd toen ik besefte dat de Juwelenaria weliswaar te linken is aan dit beeld, maar als antwoord veel te simpel was en waarschijnlijk ook niet in verband te brengen met de jonge Hergé. Waarna mijn ook al jonge doch briljante opponent met een valse grijns ‘Oké boomer’ tegen me zei en het enige juiste antwoord probleemloos uit zijn mouw schudde.

Nu goed, de wonden zijn gelikt. De vraag die rest: bent u net zo slim als mijn opponent, waarde Perdu-lezer*?


*) Antwoorden vóór dinsdag 24 december naar tintinperdu@gmail.com

zaterdag 14 december 2019

‘Smile baby, life is fun’


Over Jean Libert, goede vriend van Hergé, zijn we nog niet uitgepraat. Hieronder poseert hij, uiterst links (datum onbekend), met o.a. de rokende en drinkende draadnagel Georges Remi:


Libert, een voormalige assistent-boekhouder van een grote bank in Brussel, ontpopte zich in de jaren dertig tot dichter en utopisch katholiek met een heilig geloof in de Voorzienigheid.

In zijn (onuitgegeven) memoires beschrijft hij hoe Hergé zijn neus ophaalt voor die ‘onverdedigbare levensvisie’. De vader van Kuifje zet zijn vriend weg als een ‘wilde mysticus’ die de menselijke wil verwaarloost ten voordele van het onvoorspelbare lot. ‘Je moet je leven zélf opbouwen, Jean.’

Ik was benieuwd naar de dichtkunst die voortvloeit uit zoiets als ‘utopisch katholicisme’ en stuitte op deze ode aan het najaar:


Gepubliceerd in Ad Interim, tijdschrift voor de letterkunde, op 15 april 1944. Dit was overigens een illegale verzetsuitgave. De publicatie van Liberts gedicht hierin is pikant: de auteur staat amper een jaar later voor de rechter, beschuldigd van collaboratie.

Qua utopisch temperament vallen de wellust en het genot, de zongestoofde vruchten en het armzalig vleesch me nogal tegen. Niettemin zullen dit terugkerende elementen zijn in een heel ander schrijfgenre waarnaar de Voorzienigheid Libert, na een lange gevangenisstraf, drijft:


Onder het pseudoniem* Paul Kenny ervaart de wilde mysticus van weleer het geluk in een minder gecompliceerde levensvisie: ‘Smile baby, life is fun’.

En omdat het lot hem ironisch is gezind, zal vele jaren later ook zijn vrijgevochten dochter de vruchten zongestoofd serveren:


Rechts: Anne Libert. Links: Otto de pruimenplukker.


*) Libert deelt het pseudoniem met landgenoot en marine-ingenieur Gaston Van den Panhuyse, met wie hij zich ook verbergt achter de pseudoniemen Jean-Gaston Vandel, Jack Murray, Rudy Martray en Graham Livandert.
Hier zijn de veelschrijvers (Van den Panhuyse rechts) in actie bij de bereiding van hun spionage-intriges en koude-oorlogsschotels: