maandag 30 april 2018

S.O.S. Duivelse ingreep


Blake en Mortimer, gecoverd door Peter van Dongen en Teun Berserik:


En fraai ingekleurd:


Toch vind ik het een hardnekkig misverstand, de voortzetting van deze heldenreeks waarin zo strak (lees: bekrompen) binnen oudmodische lijntjes moet gekleurd - zelfs als de uitgever er een krankzinnig bedrag voor beurt. De tijd staat stil, vernieuwing is ongeoorloofd. Mortimers voetje dat buiten het kader steekt (zie boven), is een frivoliteit die Van Dongen, weten we inmiddels, moest aanpassen.

Let overigens op het laatste plaatje. Gluren tussen de hotelpalm, vintage Jacobs:


Afbeelding uit Het Geheim van de Grote Piramide. Volgens Van Dongen gebeurt de inkleuring van zijn B&M-uitvoering op basis van de oude versie van dit album. In latere herdrukken zijn de kleuren hem te fel. ‘Het geel in de oudere editie is donkerder,’ aldus Van Dongen, in gesprek met Joost Pollman van de Volkskrant.

Dat wilde ik met eigen ogen zien:


Achtereenvolgens de ‘vuile’, oorspronkelijke publicatie in het Weekblad, een vroegere Nederlandse albumuitgave en de harde inkleuring van Philippe Biermé en Luce Daniels uit de jaren tachtig.

By jove, het valt niet mee!

Vier jaar geleden merkte ik hier al op hoe de ongeëvenaarde sfeer van Het Gele Teken sneefde in moderne tinten. PIRAMIDE loopt dan nog eens extra averij op door de inkleuring van Jacobs’ notoire tekstblokken.


De professor wakend onder de sterren, op een van de sfeervolste pagina’s uit het Egyptische avontuur.

In de ‘opgefriste’ versie:


S.O.S. Lichtvervuiling! Knalgele tekstblokken maken de prachtige sterrenhemel onzichtbaar. Wie verzint in hemelsnaam zo’n diabolische ingreep?

Ah, natuurlijk, het zal ook eens niet:



Wordt vervolgd!

vrijdag 27 april 2018

Nonchalante speculatie


Tikje op de vingers van D. Want zó teleurstellend is die veiling bij Artcurial toch ook weer niet! Heb ik kavel 72 wel goed bekeken?


Een CONGO in matige staat, uit de huitième mille. Richtprijs € 3.000 – 5.000. Met op het titelblad...


...een surprise die ik over het hoofd zag:


Opdracht van de auteur aan zijn lieve nichtje Marie-Louise – dochter van Leon, de tweelingbroer van zijn vader Alexis. Getekend: 15 augustus 1931, met de initiaal van de voornaam als goedkeurende krul.

Pour sa fête, voegt de Tekenaar eraan toe - een annotatie probably referring to... . Ja, aan wat eigenlijk? Geen woord erover in de zeer karige toelichting van Artcurial - er zijn momenten dat je zomaar verlangt naar een mespuntje nonchalante speculatie.

Gaat het om de eerste communie? Of is het een vroeg verjaardagscadeau? Marie-Louise viert haar negende verjaardag pas over een maand, op 22 september 1931. De held van haar oom Georges is dan overigens nog maar net aangekomen in Chicago en al ontsnapt aan een gluiperige taxichauffeur...


...met de neus van Lambik. Maar dit terzijde.


Maandag: een krankzinnig bedrag voor een hardnekkig misverstand

maandag 23 april 2018

Het gebroken oog


Het was mooi weer en dus vond S. dat we de stad moesten ontvluchten. Mij leek dat nog niet zo evident, maar niettemin bevonden we ons uren later in Bergen aan Zee – badplaats waarover bon vivant Nanne Tepper ooit schreef:

‘Een gruwel, dat Bergen aan Zee! En het werd elk jaar erger. Bejaarden, debielen en invaliden’…

De Groningse schrijver had zich inmiddels van het leven beroofd en ik telde op en aan het strand weinig bejaarden en invaliden. Wel wees S. me op een man met een vleeskleurig ooglapje, nogal een veronachtzaming van de magie van dat attribuut dat natuurlijk zwart moet zijn. Alleen dan schenkt het immers cachet en mysterie en is het, kortom, van een verrukkelijk szutterig vertoon:


De monoculaire piloot Piotr Szut, rechtsdragend, in tegenstelling tot de linksdragende Snake Plissken, James Joyce, Emilio Largo, Moshe Dayan en John Ford. Die laatste was overigens bepaald geen stijlicoon:


Over de bril! Maar misschien had de regisseur heel goed door dat de esthetiek van de eyepatch altijd bedrieglijk is:

Een lege oogkas. Een verschroeid hart. Een bevlekte ziel. Zelden verbergt de ooglap iets van schoonheid. Alsof er uit de krochten van de geest elk moment een slijmerige ringworm naar boven kan komen gekringeld.*

Hergé voorzag zijn Szut van een ooglapje, maar je hebt geen twee ogen nodig om in te zien dat hijzelf ervoor geboren was.


*) Dixit Lander Deweer in De Morgen.

woensdag 18 april 2018

Korte veiling, lange tanden


Voorwoord uit het tweede nummer van het Weekblad, 3 oktober 1946:


Onze jonge reporter bedankt de lezers voor alle enthousiaste reacties op nummer 1 en meldt: ‘Kapitein Haddock was zó ontroerd dat hij vier glazen whisky achterover moest slaan om weer bij zijn positieven te komen’.

De heilzame uitkomst van zo’n innige relatie met de fles zou me, als Weekblad-lezertje, beslist mateloos hebben gefascineerd!

Enfin, het origineel gaat op 4 mei in Parijs onder de hamer:


…en geldt op de kleine en vooral zouteloze editie van Artcurials L’univers du créateur de Tintin-veiling als een van de ‘toppers’, met een richtprijs € 20.000 – 30.000.

Met lange tanden bladerde ik door de weinig opwindende kavellijst (met wéér dat beeld van Nat Neujean...) die is samengevoegd met de catalogus voor de algemene originelenveiling, op 5 mei. Via de zoveelste snipper uit Het Gele Teken...


...strandde ik bij een prijzig werkje van Jacques Tardi waarin mijn tegenzin haarfijn werd verbeeld:




*) KLIK! voor de catalogus. Er zijn 142 kavels - moeilijk voorstelbaar dat er ooit, in 2012, bijna 800 (achthonderd) Hergé-kavels bij Artcurial werden aangeboden.

maandag 16 april 2018

De kribbe met de grote schare


We zijn nog niet helemaal klaar met die curieuze nieuwjaarstoost:


Rechts het inmiddels bekende omslag van het eerste Weekblad van 1947. Links het laatste Weekblad van 1946.

Wie maken daar zo devoot hun opwachting voor de kerststal?


Juist, ze zijn er allemaal! Het is alsof het bonte stripgezelschap na de koude kerstnacht meteen is doorgereisd naar de nieuwjaarsdis. Alleen Bobbie ontbreekt (wat me bevreemd, zelfs de aap wordt in deze setting gedoogd).

Haddock heeft de fles tijdelijk ingeruild voor een scheepsmodel waardoor het tafereel (zie ook het materiaal in handen van major Wings en van Blake en Mortimer) veeleer doet denken aan het uitstapje van een modelbouwclub.

Maar goed, wat zien we nog meer? Een Droste-effect:


Op dit kerstomslag van het Weekblad heeft Kuifje een Weekblad in handen met een kerstomslag. Overigens op een eigenaardige manier, want achterstevoren. Eigenlijk zouden we de achterpagina moeten zien:


...maar Hergé zal, vermoed ik, de tempelmaagd en haar verloofde hebben willen behoeden voor zoveel onzalig geweld uit het evangelie van Jacobs.


Met dank aan Scudder

donderdag 12 april 2018

De kletspraat van Bunji Kuraki


Dick Bos-momentje tijdens de afwikkeling van CRABE:


Ik herlas het avontuur, omdat… Ja, waarom eigenlijk? Vanwege de krab in olieverf waar we zaterdag op de KunstRAI tegenaan waren gelopen? Of omdat ik zondag met zo’n godsjammerlijke kater ontwaakte dat ik slechts licht vertier verdroeg dat eindigt met een radiorede over de gevaren van alcohol?

Het exposé van Bunji Kuraki (‘van de Veiligheidspolitie van Yokohama’) bleef niettemin een harde noot om te kraken. Hergé zat er aantoonbaar ook mee in zijn maag: in de oorspronkelijke versie (Le Soir , 15 oktober 1941) laat hij Bobbie ongezouten commentaar leveren:


...ces longs bavardages m’ennuient… Deze lange kletspraatjes vervelen me.

Dat ‘bavardage’ behelst niet per definitie een negatief oordeel (gezwets, snorkerij), maar evengoed kan er een onschuldig causerietje mee worden aangeduid. Het is een mooi woord, vind ik – helaas net niet gangbaar geworden in het Nederlands.

Voor de oorlog duikt de term wel met regelmaat op in de kranten. Hier in een (in dit geval zeer toepasselijke) passage uit een filmrecensie:


De besproken film in kwestie is ‘Cargaison blanche’(uit 1937), ook bekend als ‘Le Chemin de Rio’, van de klassieke film noir-regisseur Robert Siodmak:


… waarbij de lading (cargaison) uit de titel geen opium betreft, zoals in CRABE, maar gekidnapte meisjes die in Zuid-Amerika als slavin worden verkocht.

Blanke slavinnen! Als dát de handel was van markies Di Gorgonzola hadden we twintig jaar later met COKE een iets afwijkend avontuur beleefd:


Maar goed, nu glijd ik zelf weg in een bavardage


Maandag: Opschudding in de kerststal

maandag 9 april 2018

Wie koopt het 300.000ste exemplaar?


Wat hebben we hier?


Zogenaamde ‘Boekenspeurder’ in De Telegraaf, 25 november 1978.

Slecht weinigen weten dat het 300.000ste exemplaar van PICAROS op zaterdag 2 december 1978 werd gekocht door de 12-jarige Peter van Dongen uit Amsterdam. Hij vond er geen reet aan, en erger nog: juist door dit album verloor hij zijn prille ambitie om striptekenaar te worden.

Op zestienjarige leeftijd debuteerde Van Dongen als jongste bediende bij de Rijkspostspaarbank, tegenwoordig is hij Senior Outreach Development Officer WV (Werknemersverkeer) bij de EU in Brussel. De laatste jaren ligt Van Dongen vaak wakker van een melancholie over een niet-geleefd leven - een heimwee die stroomt als een bandjir.

donderdag 5 april 2018

Het mysterie van de knallende karwats


Waarom ontbreekt Étienne Le Rallic in 1947 op het nieuwjaarsomslag van het Weekblad? Juist in dit nummer start zijn nieuwe reeks:


Jojo Cow-boy... De Fransman maakt als striptekenaar iets minder indruk dan als illustrator. Maar om hem daarom niet te laten aanschuiven aan de feestelijke nieuwjaarsdis met Laudy, Jacobs en Cuvelier? Alleszins heeft Le Rallic (1891-1968) toch een prettig ponem om te tekenen:


Dubbele pagina uit ‘LES HUMORISTES. Bulletin trimestriel de la Société des dessinateurs humoristes’ (1926) waarin de tekenaar zichzelf voorstelt (opgeduikeld in de onvolprezen Gallica-database).

De man met telefoonnummer 763 heeft een rijk portfolio en er valt een hoop, een hele hoop, over hem te vertellen, waarbij sommige zaken hem beslist in een ongunstig daglicht stellen. Maar laten we ons beperken tot een blik op zijn absolute specialiteit:


Het tekenen van paarden… iets wat hij bij het Weekblad in ruime mate mag doen:


Misschien verklaart het, in zekere zin, ook zijn bijdrage aan deze beruchte uitgave:


La volupté du fouet (‘Het genot van de zweep’), met twaalf opzwepende illustraties van Étienne Le Rallic onder een pseudoniem waarover we zachtjes mogen hinniken: Fanny.


Het betreft hier een heuse spanking-klassieker die stamt uit 1938, het jaar waarin ook Hergé de karwats laat knallen:


Ja, heel andere koek.

Was Hergé op de hoogte van diens scabreuze werk toen hij nieuwe medewerker Le Rallic in de maag kreeg gesplitst? Want dat is wat hem als artistiek directeur van het Weekblad overkwam: grote man Raymond Leblanc contracteerde hem zonder Hergé vooraf te informeren. De Tekenaar had het maar te slikken, maar aan zijn Nieuwsjaartafel gunde hij, naast Jacobs met machinegeweer en Laudy met doedelzak, de Fransman met zijn zweep geen plekje.

dinsdag 3 april 2018

Hij heeft de langste! / Hergé a le plus gros!


I.
‘En wat is er mis met een tong Picasso?’ vraagt Scudder zich af in een mail-op-hoge-poten. Zelfs gaat hij zover het monstrum zingend op te voeren (‘Ben ik te min…?’).

‘Wat is er niet mis met de tong Picasso?’ wilde ik antwoorden. Een beetje kok stort geen fruit uit over een vis, laat staan eentje die zo prijzig is. Althans, dat dacht ik. Om vervolgens te stuiten op Filets de Sole Véronique, tongrolletjes in druivensaus, in een receptenboek van niemand minder dan Escoffier. Nog erger: de Franse chef heeft begin jaren dertig een bruut recept voor tongfilet met banaan gepubliceerd – noem het een instemming van hogerhand met een vergrijp dat in Nederland al in 1919 op de kaart stond:


Lunchmenu van het Palacehotel in Scheveningen. Gelukkig ligt, zo vlak na Pasen, het Lucasevangelie nog op de eettafel: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen.

Overigens weten we uit de overlevering dat Picasso liever pasta at.

II.
Aan tafel!


Beeldrijm uit Essay RG van Huib van Opstal. Nu ja, beeldrijmpje, schrijft Ivo Mans die me erop attendeerde. Links een banket in het Palazzo Nanni, rechts het tafelgezelschap waarover we nog niet zijn uitgepraat. De vraag luidde immers: welke ongerijmdheden zien we nog meer in dit wonderlijk samenzijn?

Om te beginnen:


Kijk eens goed naar het pootje aan het glas van Hergé. De tekenaar heeft ontegenzeglijk de langste! Herr Doktor Riklin constateert: ‘Duidelijk een geval van onbewuste overcompensatie.’

Ook opmerkelijk: voor een gezamenlijke nieuwjaarstoost zijn er opvallend veel gasten (tel maar na) die het glas niet heffen. Scudder voegt daaraan toe: ‘Iedereen heeft een glas binnen handbereik, zelfs Jo en Zette, maar Laudy niet, die zit op een droogje. Of dronk hij direct uit de fles?’

III.
Mike van der Veer duidt de herkomst van het paard aan tafel (het Ros Beiaard uit de strip van Jacques Laudy die toen in het Weekblad liep, De legende der vier heemskinderen). Maar wie verschuilt zich er nu achter?


Ik keek niet goed of er zat vismeel in mijn ogen. Diverse lezers wezen me erop dat het verscholen personage wel degelijk een naambordje heeft: Allard, ofwel: een van de vier heemskinderen, naast Renaud, Richard en Guichard.

Werpen we toch nog een laatste blik op dit excentrieke ensemble… om dan pas te ontdekken dat niet alle tekenaars zijn aangeschoven. Want waar is…?

Donderdag verder