dinsdag 24 januari 2012

Kuifje onder loep (41)


In een eerdere leergang zijn al in extenso de paradoxen en voetangels van de Klare Lijn aan bod gekomen. Vandaag onderzoeken we hoe Hergé zich in diverse albums en op diverse momenten uit de nesten moet werken als details in zijn narratieve ontwerp botsen met de tekenstijl die hij zich heeft toegeëigend.

Beginnen we met TIBET. Als iedereen zijn stock-exemplaar in nieuwstaat er even bij pakt en voorzichtig doorbladert naar de nog ongelezen pagina 2, tweede strook, eerste plaatje:


Hergé staat hier op het punt Kuifje in slaap te laten vallen. Punt is: indachtig de conventies van de Klare Lijn heeft zijn protagonist geen ogen, maar puntjes. En hoe verbeeld je gesloten puntjes? Toch niet zo:


De Tekenaar kan blijkbaar niet anders dan valsspelen:


Uit het niets zijn daar oogleden! Kuifje kan nu dus ook knipperen en dat betekent dat hij het vuil, dat zich decennialang aan zijn ogen heeft vastgekoekt, langs natuurlijke weg kan wegvagen. In combinatie met de kuif ziet hij er wél potsierlijk uit, maar laten we vooral stilstaan bij de les die zich hier aandient:

Wie de Kunst van het Weglaten tot in de puntjes wil beheersen, mag niet terugschrikken voor de Praktijk van het Toevoegen.


(Donderdag verder)