donderdag 30 januari 2014

Lefdoekje


Hergé was niet mooi. Zijn neus was te groot, zijn gezicht te langgerekt. Hij had een paar van die ondankbare dingetjes die hem, op jonge leeftijd, deden lijken op een Belgische renner uit de Ronde van Frankrijk. Het beste waren zijn ogen, grijs - met soms groene, soms blauwe reflecties. En er was zijn slungelige silhouet dat hem een zekere uitstraling gaf.

Begint goed, dat oude Hergé-lemma op het mode- en stijlblog Le Chouan! Over de kledingstijl van de Tekenaar: van de jongeman die zijn filmidolen imiteert en de onverhulde conservatief die kiest voor non-descripte kostuums tot de gearriveerde kunstenaar die het allemaal niet zoveel meer kan schelen.

Meest vermakelijk blijft natuurlijk de Georges die een Gary Coopertje doet:


Hier met Germaine op de stoep van zijn woning aan de Knapenstraat, halverwege de jaren dertig. Let op het pochet, in die tijd nog wel aangeduid met ‘lefdoekje’. Hergé draagt ‘m in de One Corner Up Fold, een heel eenvoudige vouw en, zoals dat dan heet, ‘toch elegant’. Geschikt voor informele en formele outfits en gelegenheden. Over het algemeen geldt hier: hoe verder het pochet uitsteekt, hoe informeler. Daar moeten we aan toevoegen: een pochet dat vér uitsteekt, vráágt om een dessin en/of een kleurtje. Maar Hergé kiest voor wit, trekt hem informeel ver uit en dat oogt niet zo lekker - toch een beetje de man met een werkbriefje in zijn borstzak.

dinsdag 28 januari 2014

Logisch


I.

Wie hebben we hier?


Het is Charles Wiener, werkzaam bij het Franse ministerie van Onderwijs, als ‘secrétaire de la Haute Commission de sténographie’ - maar toch vooral bekend van zijn extensieve reizen door Bolivia en Peru én, in 1877, de beklimming van de Illimani, ten zuiden van La Paz:


We moeten dit bericht met een korreltje zout nemen. Charles Wiener bereikte niet de top, maar de subtop.

II.
De post bezorgde Wieners monumentale ‘Pérou et Bolivie’, uitgave van Hachette uit 1880 en een rijke inspiratiebron voor Hergé (Gebroken oor, Zonnetempel). Een impulsieve aankoop en een tikkeltje aan de prijs door het stempel van de Royal Geographical Society en een (niet ondertekende) boodschap voor Jorge de Grumkow, een overmoedige baron waarmee Wiener, samen met Don José Maria Ocampo, de Illimani besteeg.
Voor deze stoutmoedige kostenpost kon ik gelukkig een beroep doen op de RVSB, de Regeling Verzamelingen Spontane Bestedingen, met inachtneming van het Als/Dan-protocol.

Ik bedoel: ALS we vorige maand Oud en Nieuw hadden gevierd in, laten we zeggen, Brussel DAN waren we, vermoedelijk, gaan eten in het voortreffelijke restaurant van Luigi Ciciriello. Omdat we thuis bleven, is er een onuitgegeven bedrag in de lucht blijven hangen dat vrij kon worden besteed.

III.
Eigenlijk ken ik geen verzamelaars die nooit de plooien gladstrijken binnen het veld van de propositielogica.

woensdag 22 januari 2014

Want een dag niet gelachen (3)


Ze hádden het leuk samen, De Megaster en De Nulliteit*:


*) Wat als titel heel veel leuker is dan De klare lijn en de golven waaruit dit fragment komt.

maandag 20 januari 2014

Dronken kip


Ontmoeting met D. in Antwerpen. Hij is opnieuw zijn smaak kwijt – nasleep van de lichte attaque die hem veertien maanden geleden trof. Nochtans is hij de beroerdste niet en heeft hij gereserveerd bij het fabelachtige Lam & Yin. We dineren met gelakte eend en drunken chicken. ‘Sma-ke-loos’, zegt mijn dealer met een zoetzuur lachje, om vervolgens de aandacht te verleggen naar de eigenaar van de 9eme Art Gallery.

Dat Alain Van Neyghen in etappes zijn volledige verzameling op de markt kiepert, blijft niet onopgemerkt. Er zit (zie vooral zijn koopjeshoek op eBay) veel moois tussen, zoals, voor achttien mille, een van de honderd hors commerce-albums van TIBET, met een dédicace van de Tekenaar voor de familie De Moor:


Maar ook…


Over de uniciteit van deze uit de werkplaats van Jean-Marie Pigeon (gesigneerd en genummerd: 00) afkomstige snuisterij valt amper te twisten. Maar uniekheid zegt geen moer over schoonheid. 25.000 euro? Voor een infantiel bedlampje?

Maar goed, de afscheid nemende Van Neyghen brengt de flinkheid op die mij nog immer ontbreekt. Thuis vraagt S. of ik me nog iets in de maag heb laten splitsen. ‘Een dronken kip,’ zeg ik vrolijk, waarmee ik mijn voornemen om nooit meer te liegen goeddeels intact laat.

woensdag 15 januari 2014

Nulliteit



I.
Bob de Moor kreeg voor de afronding van ‘De 3 formules van professor Sato’ 15.000 Bfr. (€ 375,-) per pagina en, met enkele voorbehouden, vijftig procent in de royalty’s van de netto-inkomsten. Contractueel vastgelegde deadline: 31 december 1989. Boete bij overschrijding: € 50,- per dag. De Moor tekende het contract aanvang 1989 en had dus minder dan een jaar om ‘Mortimer tegen Mortimer’ te tekenen. Dat heeft ie geweten.

‘Ik dacht, zou ik het nu doen of niet. En toen heb ik de beslissing genomen, ook omdat ik zoiets had van, dat is nu zo dom, dat tweede deel zal nooit verschijnen, het werk van Jacobs is niet af.’

II.
‘Ik had zoiets van…’

Dixit De Moor, in ‘De klare lijn en de golven’ van Ronald Grossey. En in dat ‘dixit’ schuilt meteen ook de makke van deze ‘biografie’ van de meester-assistent van Hergé (en die van het weekblad Kuifje). Grossey wil of durft het verhaal niet in zijn eigen woorden te vertellen, op basis van verzamelde citaten, maar neemt die citaten letterlijk over. Voor een biograaf lijkt me dat een zwaktebod. Het betekent dat hij de tekenaar voortdurend zijn eigen levenswandel laat becommentariëren en dat het in deze uitgave wemelt van kromspraak en bijzinnetjes als ‘zei De Moor later’, ‘herinnerde De Moor zich later’ en ‘vertelde De Moor achteraf’. Zonde, want Grossey heeft wél veel interessante feiten bij elkaar geharkt.

III.
Zelfs aan het slot waagt de ‘biograaf’ zich niet aan een afrondend oordeel, maar kiest hij voor een laatste citaat van de hoofdpersoon zelf, voorafgegaan door een fragment uit een interview met diens weduwe. Jeanne De Belder vertelde in De Morgen waarom de kwestie van het niet mogen tekenen van ‘Kuifje en de Alfa-kunst’ haar Bob uiteindelijk de das omdeed:

‘Mijn man verwerkte die demonstratieve blamage niet; hij die er een leven collegiaal dienstbetoon had opzitten, die zichzelf had weggecijferd tot meerdere glorie van megaster Hergé, werd als een nulliteit geïgnoreerd.’

Een nulliteit? Na 400+ pagina’s had ik zoiets van: Show, don’t tell….


Maandag verder.

zondag 12 januari 2014

Vuurwerk


Er zijn veel opwindende plekken om het nieuwe jaar in te gaan. Maar de eigen huiskamer…? Mijn hart ging er niet sneller van kloppen.

Niettemin opperde S. om de laatste avond van het jaar eindelijk weer eens thuis op de bank door te brengen, met een boek en een wijntje (‘En alsjeblieft geen televisie’). Ze las ‘Expo 58’ van Jonathan Coe en moest regelmatig hardop lachen*, ik gaf ‘De klare lijn en de golven’, de biografie van Ronald Grossey over Bob de Moor, een nieuwe kans. Het boek stelt nogal teleur**, maar was op dat moment wél toepasselijke lectuur - met een hoofdpersoon die twee vingers verliest door (Duits) vuurwerk.

Pagina 426: De Moor laat zich fotograferen ter voorbereiding van ‘Mortimer contra Mortimer’ (1990):


Actuele vraag: gaat de 65-jarige Theo van den Boogaard, meesurfend op de Septimus-golven, zich binnenkort ook in dit soort bochten wringen?





*) En terecht. Een erg vermakelijke roman met een bijrol voor twee op Jansen en Janssen gelijkende agenten.
**) Woensdag meer.

maandag 16 december 2013

Teloorgang



Slotaflevering van ‘Tintin in Amerika’, in Het Laatste Nieuws, 16 december 1942. Tien jaar na de eerste publicatie heeft Hergé zijn ‘kranige reporter’ een veel minder kranig uiterlijk gegeven. Vergelijk de lulganger op de loopplank eens met die stoere kerel (kraag op, de blik omhoog!) in het origineel uit 1932…



…en betreur vooral ook de teloorgang van de expressieve Bobbie.

Het laatste plaatje op de hertekende versie heeft de Tekenaar schaamteloos gekopieerd uit OREILLE CASSÉE:


Het is de s.s. Normandie waarmee Kuifje in 1937 terugkeerde naar Europa. Hergé ziet in 1942 één ding over het hoofd: de luxe oceaanstomer is inmiddels geconfisqueerd door de Amerikanen en tijdens de ombouw naar troepentransportschip door brand verwoest en gekapseisd. Daar bestaat een opwindend filmpje van met een onnavolgbaar dramatisch commentaar (‘Then, during the night, the Normandie met its final doom’), veel gezwollen koperwerk en superbe ladderscènes…


… waarbij dr. Riklin zijn vingers zou hebben afgelikt.

Enfin, het persoonlijke rampjaar 2013, in drie minuten samengevat. Ik dank de A la recherche-lezers die me in het voorbije jaar een hart onder de riem staken en ik dank vooral S. die me, onverhoeds, toch nog een reddingsboei toewierp. Bovenal wens ik u fijne feestdagen. En omdat er geen eind is aan Kuifje: wordt vervolgd in januari 2014.

donderdag 12 december 2013

Happy jump



Vreugdesprong van Kuifje, op 19 februari 1948, in ‘Le temple du soleil’. De verhoudingen lijken niet helemaal jofel - je zou verwachten dat onze held in zijn momentje van blijdschap een tikkeltje hoger reikt dan de borst van de kapitein.

De ‘happy jump’ werd een cliché in de musicals met Gene Kelly, de ‘happy jump freeze frame’ vaste prik in de trukendoos van elke mode- en popfotograaf:


Kuifje sprong overigens eerder - en beter - op 20 april 1939 (in het licht van de historie een erg ongelukkige dag) in Syldavië:


Probeer het maar eens: armen omhoog, linkerbeen naar achter, rechterbeen naar voren en dan drie (3!) maal ‘Eureka’ roepen, in toenemend volume. De verwondering bij Bobbie is goed te begrijpen!

dinsdag 10 december 2013

’t Is gedaan!


Ik herlas ‘Le temple du soleil’ en liet me, in het slotstuk, weer blindelings meeslepen door de wanhoop van de kapitein:


Jamais je n’ai touché à ce point le fond du désespoir…

Horen we hier nog wel de oude zeebonk Haddock of verkeren we met Ferdinand Bardamu/Céline op een krakkemikkige schuit richting de Congo?

De oude Nederlandse vertaling is niet minder fraai…


… met dank aan dat pruikerige bijwoord Aldus.

Het fragment verscheen op 11 maart 1948 in het Weekblad. Luttele maanden later had de Tekenaar een korte affaire met een 19-jarige rechtenstudente, Rosane. Hij biechtte zijn avontuurtje op en gleed weg in een gemene depressie - een ‘demon du midi’ zoals hij het noemde in een brief aan Germaine.

maandag 9 december 2013

Dood is de nacht


Met een eclatante kater voor de buis - documentaire over de vorig jaar overleden Jeroen Willems. De ode aan de diep ongelukkige acteur en zanger werd nogal ontwricht door het pathos waarmee zijn vrienden uit de theaterwereld hem herdachten (‘Jeroen kon alleen spelen met al zijn zenuwen open…’).
‘Actreutels,’ gromde S.
Maar Willems’ geweldige vertolking van de liederen van Jacques Brel verdoezelde met gemak het ongemak.

Van een ode aan de acteur naar een ode aan de nacht was daarna een kleine stap:


Fragment uit: Le temple du soleil (1969). Het vuur knispert, Kuifje maakt zijn geweer schoon en de jonge appelsienenventer Zorrino brengt zijn Ode à la nuit (tekst en muziek: Jacques Brel). Hij zingt met zo’n heldere sopraanstem dat de Peruaanse kippen er vierkante eieren van gaan leggen.

Le serpent dort
Sur l'arbre mort
Que le temps mord
Morte est la nuit


En dood was de nacht. We namen een paracetamolletje en gingen maar eens vroeg naar bed.

dinsdag 3 december 2013

The Mummy Returns


I.
En wie hebben we hier?


Het is Alain Baran, professioneel danser bij het ‘Ballet du XXe siècle’ van Maurice Béjard, halverwege de jaren zeventig in Brussel.
Na zijn danscarrière treffen we hem op Zaventem:


… als secretaris van Hergé.

II.
Kunnen we, in de zee van biografische aantekeningen, een restaurantrekening uit december 1977 van een tikkeltje meer context voorzien?

Boekhouder Philippe Goddin biedt in zijn vuistdikke ‘Levenslijnen’ geen soelaas, voor een mogelijk antwoord moeten we bij Benoît Peeters zijn. In zijn ‘Fils de Tintin’ schrijft hij over de moeizame start van Alain Baran als de nieuwe secretaris van Hergé.
Baran begon zijn werk aan de Louizalaan op 4 januari 1978. De Tekenaar had hem de baan aangeboden tijdens een lunch, schrijft Peeters,

‘in een van de beste restaurants van Brussel, La Cravache d’Or’.

Rekening houdend met het tijdpad: 16 december 1977?

III.
Februari 1979: Abel Bernard, topkok van La Cravache d’Or, krijgt voor zijn kookkunsten van GaultMillau een ‘Clé d’Or’ waarna Kuifje hem een ‘Gouden Hart’ bezorgt, met de felicitaties van Hergé:


Lang kan de Franse chef de cuisine er niet van genieten, hij overlijdt niet heel veel later. De tekening werd begin dit jaar in Parijs geveild voor € 84.629. Voor die prijs heb je ook zomaar tien kilo excellente witte truffels.

IV.
Joost de Vries beklaagt zich deze week in De Groene Amsterdammer over vuistdikke biografieën waarin de nadruk ligt op onbekende logistieke bewegingen, financiële situaties en uitvoerige correspondenties. Daarin wordt, volgens de schrijver, de geest van de hoofdpersoon niet levend gehouden, maar het onderwerp juist gemummificeerd.


Tachtig jaar nadat zijn geesteskind als mummie dreigde te eindigen, is het Hergé zelf die we diep in de zwachtels hebben gedraaid.

maandag 2 december 2013

De gouden zweep



Verrukkelijk onzinnig hamerstuk, gistermiddag op de Hergé-veiling van Piasa. Gesigneerd bonnetje voor een truffelmaaltijd bij ‘La Cravache d’Or’, à raison van 11.000 Belgische frank. Gedateerd: 16 december 1977.

Hergé heeft een erg mooi moment gekozen om in die zaak te eten: chef Abel Bernard kreeg luttele maanden eerder zijn eerste Michelinster*. In de keuken van de Fransman werkte ondermeer leerling-kok Luigi Ciciriello, tegenwoordig eigenaar van mijn favoriete Brusselse restaurant en geen onbekende op dit blog. Toch eens bij hem informeren of hij op die bewuste dag een glimp van de Tekenaar heeft opgevangen!

*) Er was een Nederlandse topkok nodig om de tweede ster binnen te slepen: Robert Kranenborg.

donderdag 28 november 2013

Laszlo's hoed (3 en slot)



VLUCHT 714, plaat 46. Voorpublicatie in weekblad Tintin, waarin het tempelcomplex op het vulkaaneiland Pulau Pulau Bompa nog baadt in een naargeestig, naar turkoois neigend licht. Laszlo Carreidas balanceert andermaal op zijn ongelukkige De Moor-beentjes (plaatje 1) en maakt stampei om zijn verdwenen hoed.

Wat volgt is een, volgens veilinghuis Artcurial, ‘superbe passage avec le fameux gag autour du chapeau Bross et Clackwell’. Het origineel (met op de achterzijde de potloodschetsen van plaat 45) werd 16 november afgehamerd op bijna 209.000 euro (exclusief opgeld):


Dat uitgerekend een origineel uit de nadagen van Hergé een recordprijs oplevert, is deprimerend. Nog treuriger is de kritiekloze berichtgeving erover. En dus proberen we er zélf maar het beste van te maken:

PARIJS Een originele pagina uit het Kuifje-album ‘Vlucht 714 naar Sydney’ is zondag voor een recordbedrag van 209.000 euro geveild. De koper werd na afloop belaagd door militante leden van KrAK ’77, de Kritische Associatie van Kuifje-liefhebbers, en met verf besmeurd. Een woordvoerder van de Associatie distantieert zich van het geweld, maar zegt er wel begrip voor te hebben: ‘De koper maakt van serieuze stripliefhebbers een narrenvolk. Het geeft geen pas zoveel geld neer te tellen voor een origineel dat louter uit luie close-ups en halftotalen bestaat – uit een album bovendien dat opwindende vergezichten ontbeert en waaruit de grafische schwung van de Tekenaar nagenoeg geheel is verdwenen.’
De politie heeft drie activisten aangehouden, waaronder de kleinzoon van de Franse vliegtuigbouwer Marcel Dassault.
(AFP/ANP)

dinsdag 26 november 2013

Laszlo's hoed (2)



VLUCHT 714, fragment uit plaat 43. Kuifje en Haddock naderen het extraterrestriale beeld waarvan Hergé zo’n fraaie maquette heeft laten maken (en waarnaast en -boven hij zich zo gaarne liet fotograferen).


Links: onze held heeft telepathisch contact gehad met Mik Ezdanitoff die hem opdraagt een oogbol in te duwen. En rechts… Hier lopen de zaken uit de hand. Kijk eens goed: dit is geen sequentieel beeld, maar veeleer een omslagtekening voor een Barelli-album. Kuifje is naar rechts verschoven (met achter hem, uit het niets omhoog geschoten, een stalagmiet), de kapitein heeft zijn plaats ingenomen en links zien we Carreidas – en bovenal zien we zijn ongelukkige houding (die beentjes!) die in alles vintage Bob de Moor is. Vergelijk:


Carreidas staat daar omdat hij – belangrijk voor het verloop van het verhaal - zijn hoed (daar is ie weer!) moet verliezen. Die valt naar achteren, overduidelijk de trap af. Maar op het volgende plaatje:


Zo lijkt VLUCHT 714 soms op moeizaam geënsceneerd amateurtheater waarbij een toneelknecht de rekwisieten op de goede plek legt.


Donderdag verder.

zondag 24 november 2013

Laszlo's hoed (1)


Mailtje van D. die de Artcurial-veiling bijwoonde en die zich afvraagt waarom ik ‘finaal niets schrijf’ over de plaat uit VOL 714 die een kwart miljoen heeft opgebracht:

‘Is niet misselijk, zo’n prijs, een record. Wilmet pakt dat beter op.’

Bon, wrijf het er maar in. Mijn dealer die verwijst naar het blog van Marcel Wilmet. Hij is duidelijk nog niet hersteld van zijn lichte beroerte!

Omdat ik er weinig voor voel om meteen wéér over geld te zemelknopen, maken we een omweg, en wel via deze elegant in het pak gestoken snijboon:


Marcel Dassault, oud en broos en met onafscheidelijke hoed. De vliegtuigbouwer en industrieel had er een passie voor, lezen we in de Guide de l’élégance au masculin van Bernard Lanvin:

‘Lichte hoeden, zeer flexibel, smalle rand. Dassault had een schedelomtrek van vijfenvijftig centimeter. Bij Gélot had hij een houten mal laten maken en steevast bestelde hij er hetzelfde model hoed.’


Die flexibiliteit zien we, in VOL 714, terug in de hoed van Laszlo Carreidas. Deze op Dassault gebaseerde windbuil draagt een Bross en Clackwell* (‘Van voor de oorlog!’), een hoofddeksel van krap bemeten omvang:


Bij aanvang van het album lijkt het hoedje nog op een klassieke pork pie hat - ontegenzeggelijk een paar maten te klein voor de kapitein:


Hoewel:


Helemaal over de oren!


Dinsdag: Georges gooit er met de pet naar.


*) Spoonerisme van de Britse voedselproducent Crosse & Blackwell, vooral bekend van de Branston-pickle.

dinsdag 19 november 2013

Nieuwstatigst



Flagrante stunt van Catawiki op de Hergé-veiling van aanstaande donderdag: Tintin et Milou en Amérique, de Egyptische uitgave van Al-Maaref Press, uit 1946, in een eclatante conditie. De nieuwstatigheid lijkt zelfs nog een tikkeltje nieuwstatiger dan die van het exemplaar dat afgelopen weekend bij Artcurial voor € 3025,- werd afgehamerd.

Over de aantrekkelijkheid van het album valt te twisten, maar laten we vooral niet kinderachtig doen. De meter staat op € 3203,-. Indachtig het bekende Egyptische gezegde* lijkt me een hamerprijs van vijf mille wel het minste.

*) De slang die geprangd is door de woestijn, verkiest geen soberheid.

maandag 18 november 2013

Soepzootje



En met de laatste nevenactiviteit van Carl Gustav vers in het achterhoofd, wierp ik nog maar eens blik op het schoteltje (in VOL 714) van Georges en, vooral, Jacques. Op het origineel is de onnozelheid daarvan zo hemeltergend…


… dat ik vierklauwens mijn aandacht verlegde naar deze pagina:


Een soepzootje dat intrigeerde – tót het inzicht zich aandiende hoe tranentrekkend ver we ermee verwijderd zijn van deze vlekkeloze klare lijntjes:



vrijdag 15 november 2013

Dat leven van hem!



Cruciale droomsequentie uit ‘Geheimnisse einer Seele’ (1926) van Georg Wilhelm Pabst, een ‘psychoanalytische film’ (zoals ie in de Nederlandse bioscooppromotie werd omschreven...)


... over een man die worstelt met een minderwaardigheidscomplex dat stamt uit zijn jeugd.

De beklimming van een toren duikt regelmatig op in de droombeschrijvingen van Hergé. Huib van Opstal merkt in zijn ‘Essay RG’ (pagina 213) op dat de Tekenaar diep onder de indruk was van de door Pabst surrealistisch in beeld gebrachte dromen en nachtmerries. Sterker nog (pagina 119):

… zo leek het relaas over zijn in 1959 escalerende innerlijke crisis sterk op de plot van ‘Geheimnisse einer Seele’...



Ruzie? Oorlog! Op de dag dat Georges aanschuift bij Franz Niklaus Riklin, noteert Germaine in haar dagboek dat ze moe is gevochten:

‘Het is altijd hetzelfde. Hij, hij, en zijn crisis, dat leven van hem, zichzelf vinden. Wat een egoïst en wat een medelijden heb ik met hem.’

Hoe serieus nam Franz Niklaus de droombeschrijvingen van Hergé? Ze zijn zo extreem beeldend op papier gezet dat een schatplichtigheid aan externe bronnen (films, literatuur) nauwelijks over het hoofd is te zien. Goed denkbaar dat Dr. Riklin een diepe innerlijke zucht slaakte, want: ‘Wéér een verhalenmaker die voor zijn Eigen Verhaal put uit andermans verbeeldingskracht’.

Overigens, nadat ik ‘Geheimnisse einer Seele’ had gezien (en dat kan hier, het is een aanrader), nam ik ook Van Opstals stelligheid met een stevige korrel zout.



Met dank aan Ivo Mans

woensdag 13 november 2013

De Riklin-3


I.

Essay van Franz N. Riklin, uit 1968. Deze Franz Niklaus was een zoon van Franz Beda Riklin, de Zwitserse psychiater die samenwerkte met Carl Gustav Jung en die een van de pioniers was van de psychoanalyse in Zwitserland. Hij was ook een talentvol schilder. ‘Er gehört mit seiner glänzenden Doppelbegabung zum wertvollen Schweizer Kulturerbe’, schreef het gezaghebbende Schweizer Monatshefte in 2001.

II.
Franz Beda kunnen we dus zonder meer aanduiden als DE Riklin en een wijdverbreide misvatting is dat Hergé, op 27 april 1959, bij hém aanschoof. Maar de schilderende psychiater was toen al ruim twintig jaar dood (hij stierf op 4 december 1938, zestig jaar oud, aan een hartinfarct). Het was zijn zoon Franz Niklaus, hier op een zeldzame foto:


… die de Tekenaar aanraadde om ‘de demon van de zuiverheid’ te doden.

Hergé zelf lijkt zich ook niet goed te herinneren wie hij nou gesproken heeft. Tegen Numa Sadoul verklaart hij, op 20 december 1971:

‘Ik heb een Zwitserse arts bezocht, professor Ricklin [sic!], een leerling en volgeling van C.G. Jung, die me vertelde: “[…] U moet uw demonen uitdrijven, uw witte demonen”.’

III.
Benoît Peeters neemt in ‘Le Monde d’Hergé’ (1983, pagina 30) de verkeerd gespelde naam klakkeloos over, evenals een andere vergissing van Hergé:

‘Op een zeker moment in mijn leven […] besloot ik een psychoanalyticus te raadplegen. Jung was dood, het was een van zijn studenten, professor Ricklin, die ik sprak.’

Jung dood in 1959? Welnee, de oude baas is dan nog springlevend en staat in het middelpunt van de belangstelling, dankzij zijn nieuwste boek…


… over een onderwerp waar Hergé pas jaren later mee aan de haal gaat!

IV.
Een jaar na zijn ontmoeting met Hergé werd Franz Niklaus Riklin directeur van het C.G. Jung Institut in Zürich. Hij stierf, op zestigjarige leeftijd en net als zijn vader, aan de gevolgen van een ernstig hartinfarct.
En wie is nu de man die staat afgebeeld op de foto bij het lemma FRANZ RIKLIN in de uitgave ‘Wie is wie in de wereld van Hergé’? Het is wéér een andere Franz Riklin! Mail van Scudder over deze Riklin nummer 3:

‘Die dekselse Jan Aarnout Boer heeft in zijn prachtboek een foto geplakt van de zoon van Franz Niklaus, de kleinzoon dus van Franz Beda, en emeritus hoogleraar strafrecht in Freiburg.’