vrijdag 19 mei 2017

Kuifje op het keukenblad


Desondanks weten ze bij Millon Belgique ook hun haveloze waar fraai te fotograferen:


Witte ondergrond, zwarte achtergrond en een perspex blokje waardoor het kavel lijkt te zweven (probeer dan maar eens niet aan de leviterende monnik uit TIBET te denken…).

Vergelijk dat eens met de vertederend hulpeloze albumpresentaties op eBay.

Très chique op rood velours:


Op damast:


In een passe-partout:


Op het natuurstenen keukenblad:



Voor het doorgezeten leer:


In bed:


Mooi ruggetje, druilerig dekbedovertrek:


In de badkamer:


Zonder partner:


Mét partner:


Met hond:


Baasje krijgt het er warm van:



woensdag 17 mei 2017

Ondertussen, op de stortplaats


Poepoe, wat ruikt het hier muf...


Ah! Kavel 162 op de online stripveiling van Millon Belgique. De bijsluiter meldt: ‘Mauvais état’, maar ergens vermoedden we al zoiets.

Korte samenvatting van het voorafgaande: Millon Bruxelles fuseerde eind vorig jaar met Banque Dessinée. Dat ging gepaard met een opgewonden persbericht waarin snorkend en snoevend de operationele en geografische synergie van de nieuwe veilingcombine werd bezongen:

La première maison de ventes franco-belge MILLON BELGIQUE permettra ainsi à sa clientèle, acheteurs et vendeurs, de bénéficier des atouts et des moyens des grandes maisons internationales et de valoriser leurs biens là où le marché l’exige, de Paris à Genève via Bruxelles.

En vervolgens sta je dan als trotse medewerker heel secuur* dit te fotograferen:


Niettemin schuilt er denk ik wel een slimmigheidje in de aanbieding. Immers, in de schaduw van zulke brol is elk ander album minstens ‘Etat moyen’…:


…hoewel je ook bij dit kavel…:


...maar beter gewoon op je eigen ogen kunt vertrouwen.

Blijft de vraag waarom la première maison de vente franco-belge hieraan per se haar vingers wil bevuilen.


*) Vrijdag meer daarover...

maandag 15 mei 2017

Nog iets gebeurd, mijnheer Hergé?





*) Voor JAB, die iets zoekt in een boek waarin hij niets zal vinden.

vrijdag 12 mei 2017

De koude weemoed van de reporter


Met S. naar de Jeff Cowen-expositie – fotograaf die er niet voor terugdeinst zijn afdrukken te bleken, met verf te bekladden en te scheuren om bij de kijker dromerigheid en melancholie op te roepen. Die gewenste gemoedstoestand wilde maar niet bij me indalen. En we weten allemaal wat de dokter dan zegt: forceren helpt niet.

Een tikkeltje onbevredigd verlegde ik mijn aandacht naar een andere expositie in een andere ruimte: zwartwit- en sepiafoto’s van het 19de-eeuwse Egypte:


Door de leegte op veel beelden bekroop me gaandeweg de gedachte dat ik keek naar een ouverture. Reusachtige decorstukken die waren klaargezet opdat het avontuur kon beginnen.

Ja, straks ging het allemaal gebeuren.

En daar was ie, de weemoed rispte op als een zure boer na een te grote maaltijd. Ik kneep S. in haar hand om mezelf er van te vergewissen dat nu niet alles alweer voorbij was.

Plaatje!


BIJOUX, pagina 40. ‘Quelle nostalgie’ zegt de op Molensloot verstrikte Kuifje terwijl hij luistert naar de muziek van de zigeuners. Maar nostalgie naar wat? Naar de tijd dat ook hij ongebonden over de wereld zwierf en nog echte avonturen beleefde?

Er schuilt een mooie vervreemding in het plaatje, die historicus en stripprofessor Andrei Molotiu* nog verder op het spits drijft:


Links zien we onze held in een medium shot en we zouden kunnen vermoeden dat zijn gezicht wordt uitgelicht door het kampvuur van de zigeuners. Maar rechts, in deep-focus, zien we dat de afstand daarvoor te groot is:

…we are thereby led to reconsider the previous two panels, realizing now that the light on Tintin’s face was the cold blue of the moon, not the orange of the fire, and understanding that the hero does not share after all in either the literal or the figurative warmth of the Romany community.

Er volgen nog twee ‘avonturen’ waarin het koude maanlicht voortdurend schijnt.


*) In het hier eerder genoemde The Comics of Hergé: When the Lines Are Not So Clear.

woensdag 10 mei 2017

Een grijze maand, 110 jaar geleden


Laten we niet vergeten dat we op dit ogenblik door de 110de geboortemaand van Hergé tippelen. Katharine Hepburn (12 mei 1907) en Daphne du Maurier (13 mei) plaveiden het pad, de Dag van de Verlossing (22 mei) deelde onze toegenegen Tekenaar met Laurence Olivier en vier dagen nadien werd de wereld verblijd met John Wayne. Beslist geen slechte oogst voor een voorts slaapverwekkende maand in de kronieken van de planeet Aarde!

Drie dagen vóór het kleine wurm in Etterbeek het licht aanschouwde, publiceerde The New York Herald deze virtuoze droomsequentie:


Ja, Georges, daar schommel je dan in je onbeduidende wiegje in een grijs milieu waarin alles kraak noch smaak is. Wat kun jij straks nog toevoegen aan dit overweldigende meesterschap?

Mooi, je laat je niet uit het veld slaan:


Bijna een kwart eeuw later is dit beslist een euh… beginnetje.

Overigens blijk je net zo lomp in de omgang met wilde dieren als je pionierende collega in Brooklyn*:


Of zullen we het gewoon inspiratie noemen?




*) Winsor McCay, geestelijk vader van Little Nemo, overleed in de middag van 26 juli 1934. Amper vijf dagen later werd Fanny Vlaminck geboren – maar dat is een ander verhaal.

maandag 8 mei 2017

Het solide zusje van Kuifje


Kavel 17 van de Hergé/Kuifje-veiling van Catawiki, aanstaande vrijdag:


Persfoto van de opnames voor het Canadese televisieprogramma ‘Premier plan’ (uitgezonden op 27 juni 1962).

Wie het filmpje nog eens bekijkt (dat kan hier), ziet een tekenaar in opperbeste stemming, ontspannen en blakend van zelfvertrouwen. Probeert Georges indruk te maken op zijn interviewer? Of heeft hij geen notie van haar statuur?

De vrouw die hij op zijn landgoed ontvangt, is Judith Jasmin, een journalistieke zwaargewicht met een meeslepend cv. Als special reporter zwierf ze jarenlang om de wereld, ging op de koffie bij Ho Chi Minh, ondervroeg de Haïtiaanse dictator François Duvalier (alias Papa Doc) en versloeg de Frans-Algerijnse oorlog.

Op het web vond ik een pakkende typering:

‘She was the sophisticated, globetrotting French Canadian reporter of the 1940s and 50s, doing and seeing things most women didn’t even dare imagine...’

Tussen de grote namen die ze aan de tand heeft gevoeld, zal ze Hergé beschouwd hebben als een kleine vis: Salvador Dali, Le Corbusier, Orson Welles, Josephine Baker, Marcel Pagnol, Jean Cocteau, Eugène Ionesco, André Breton, Marguerite Duras.

Ze overleed op 56-jarige leeftijd, op 20 oktober 1972, aan kanker...


...dit solide zusje van Kuifje dat wél trouw bleef aan haar journalistieke roeping.

donderdag 4 mei 2017

Gedenken we een echte Blumenstein


I.
Blumenstein is het haasje:


Le Soir, 19 mei 1942. Het zweet breekt de schurk met het stereotype Joodse postuur uit – en ook dat poffende lichaamsvocht heeft onder de loep van Hergés criticasters gelegen:

Hergé concluded The Shooting Star with Blumenstein hearing the news on the radio that he is to be tracked down and severely punished for his conspiracy against Tintin. This is a chilling threat on which to conclude the Tintin story, especially after the Antwerp pogrom and just before the Nazi roundup of Belgian Jews, sent to the death camps.

Dixit Hugo Frey, in Trapped in the past – Anti-Semitism in Hergé’s Flight 714.

De naam Blumenstein verdween later uit het album zoals ie – zouden we er kwaadwillig aan kunnen toevoegen – goeddeels gewist werd uit de Europese bevolkingsregisters.

II.
In Nederland komt de naam overigens niet veel voor. De telefoongids van Amsterdam vermeldt er, in het eerste oorlogsjaar, slechts eentje:


Euterpestraat*, of all places! Het Nederlandse hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst bivakkeerde er, in het voormalige pand van de meisjes-HBS. Vanaf 1942 zat daar ook de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, die de deportatie van Joden uit Nederland organiseerde.

Een speurtocht op het web ontsluiert langzaam de geschiedenis van de bewoner van nummer 82. Het is Carola Blumenstein. In februari 1941 trekt ze in bij haar familie op nummer 62.

Drie jaar later, op vrijdag 11 februari 1944, worden moeder Klara Blumenstein-Levisohn (60) en haar dochters Carola Helene Blumenstein (30) en Inge Sofie Martha Blumenstein (20) vermoord in Auschwitz.


*) De Euterpestraat werd in 1945 herdoopt in Gerrit van der Veenstraat, naar de Nederlandse beeldhouwer en gefusilleerd verzetsleider. Hergé besloot in 1954 de naam Blumenstein te veranderen in Bohlwinkel.

dinsdag 2 mei 2017

Een instant-klassieke vertelling



Biografische roman over de geestelijk vader van Kuifje, met als titel de bijnaam die zijn uitgever voor hem had bedacht: Haddocks hersenen heten Hergé. De Britse auteur Andy Serkis concentreert zich op het zware auto-ongeluk dat Hergé op 17 februari 1952 trof. Poogde de uitgeputte tekenaar een einde aan zijn leven te maken? Had hij te veel gedronken? Het interessante aan Serkis’ boek is zijn reflectie op de verhouding feit en fictie in de geschiedschrijving. Die overwegingen leiden tot een modernistisch commentaar van de schrijver op zijn eigen praktijk. Zo creëert hij de mogelijkheid zonder de feiten geweld aan te doen op gemarkeerde plaatsen te ‘fabuleren’ over wat de bronnen niet verklappen. Terloops schetst hij een aangrijpend beeld van depressie en drankmisbruik in de gouden jaren van het Belgische beeldverhaal.

‘Een instant-klassieke vertelling […] de beste roman van 2017. Serkis bereikt met zijn literaire experiment in zekere zin de onsterfelijkheid’- Geert De Weyer in De Morgen

‘Men zou het de auteur bijna kwalijk nemen, zoveel emoties als hij ons schenkt’ – Joost Pollmann in de Volkskrant

maandag 1 mei 2017

Pruikenjacht op een pakketboot


I.
Voor de buis met een daverende kater. S. zette een theeketeltje lapsang voor me (ze zegt: lapzwansthee), schoof Les grandes vacances in de dvd-speler en wenste me een fijne middag.

Je kunt je natuurlijk afvragen of met een vijftig jaar oude klucht van Louis de Funès het medicijn niet erger is dan de kwaal, maar in de staart van een alcoholroes is goede smaak niet aan de orde. In mijn conditie was de film zeer probaat. Hij kwam niet op gang, de zenuwzieke hoofdrolspeler was onuitstaanbaar en zijn taalgrapjes onsterfelijk flauw (‘Weet je wat Doris Day? Die Ray Charles aan’, dat werk. Maar dan in het Frans. En dus onvertaalbaar).

Al na een klein uur leek het me de hoogste tijd om weer iets zinvols te ondernemen.

II.
De geestelijk vader van Kuifje was alleszins subtieler in zijn woordspelletjes. Jan Aarnout Boer van het Hergé Genootschap wees me in een mail op de taalgrapjes in OREILLE CASSÉE. Zo laat de Tekenaar de paginalange jacht op een papegaai vrijwel naadloos overlopen in een pruikenjacht op een pakketboot:


Maar ook hier is de grap alleen bevattelijk in de oorspronkelijke taal:


Boer: ‘Het zal toch geen toeval zijn dat Hergé eerst een perroquet (papegaai) een grote rol laat spelen om vervolgens over te stappen naar een perruque (pruik)?

Met zijn Spaanse accent spreekt de schurk Ramon une perruque uit als ouné perrouque. De Nederlandse vertaling ‘Hij draak een pruik’ steekt daar wat bleekjes bij af. ‘Proek’ of ‘Haarstoekje’ lijkt me toch wel een leuke aanvulling.

Overigens is in de vroegste vertaling helemaal geen sprake van een pruik:


Een valsche hoofd… Prachtig – en onnavolgbaar omdat het hier om een letterlijke vertaling gaat van een term die Hergé helemaal niet gebruikt: fausse tête.

dinsdag 25 april 2017

Een zesdaagse bloedneus


Bon, met die scheldende papegaai (Gros plein d’soupe!) in OREILLE zijn we dus nog niet klaar. Maar eerst: de vloekende Kapitein in De Zaak Zonnebloem en de vraag: wat is een loerak?

Enige poging tot een antwoord kwam uit Leiden, vanwaar een trouwe PERDU-lezer me erop wees dat de term regelmatig opduikt in de vooroorlogse kranten…

…als aanduiding voor ‘Indisch dorpshoofd’ (hoewel de correcte term eigenlijk ‘Loerah’ is). Het exotische karakter past in elk geval mooi in het scheldrepertoire van Haddock waarin het toch immers ook wemelt van de ‘bosjesnegers’, ‘Patagoniërs’, ‘Basji-boezoeks’, ‘kannibalen’, ‘Hottentotten’ en ‘kropdragers uit de Apppenijnen’… to name but a few…

Het leek mij niet onaannemelijk. Terwijl ik nadien zelf nog een poos in het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek rondneusde, viel mijn oog overigens op deze foto:


Volmaakt buitenverblijf voor de vermogende tintinoloog: de Javaanse villa ’t Kuifje te Lawang.

Sapristi, hij is nog te huur ook!


Inclusief bibliotheek en hoog geboomte.

De foto werd gepubliceerd in het bijvoegsel van De Indische courant, 6 september 1934 – wat dan weer precies de dag is waarop onze jonge reporter aan wal gaat in Shanghai:


De huuradvertentie stamt uit februari 1938. Wie de lokale kranten uit die tijd verder uitpluist, vindt het Hergéaanse narratief dat de toenmalige bewoners van ’t Kuifje vermoedelijk (en tijdelijk) naar het ‘veilige’ Europa deed vluchten:


Een zesdaagse bloedneus... Zeg maar gerust: een zonderlinge epidemie! Om met Jansen en Janssen te spreken: Neen, neen, ’t is meer dan ’n samenloop van omstandigheden…


Ook ik knijp er tijdelijk tussenuit. Volgende week verder.

donderdag 20 april 2017

De rollende R van Hergé


Calqueerpapiertje met een tekstherziening voor de eerste uitgave van Het gebroken oor:


Kavel 26 deze week op de Hergé/Kuifje-veiling van Catawiki.

Let op het obsolete BULLETJE:


Eerste vertaling noch vervanging doen eigenlijk recht aan het origineel:


Met ‘Grrros plein d’soupe’ laat Hergé de R lekker rollen, je hoort het bij het beestje uit de snavel komen. Met DDDIKKKE PAPZAK maak je van een papegaai de facto een stotteraar (DIKKERRRD had hier meer voor de hand gelegen).

Fraaie uitdrukking trouwens, dat ‘Gros plein d’soupe’. De meeste woordenboeken zijn er snel klaar mee: dik persoon. Maar hoe ouder de glossaires, hoe bloemrijker de omschrijvingen. Zoals deze, uit 1908:

Personne corpulente, qui semble ne songer qu’à son ventre, et qui a une mauvaise conduite.

Kijk! Een onmiskenbaar dik persoon die ervan beticht wordt zich te misdragen en enkel aan zijn buik te denken:


Bijna twintig jaar later gebruikt een razende Haddock de uitdrukking ook:


AFFAIRE TOURNESOL, pagina 34. De Kapitein smijt er nog een ‘va-nu-pieds’ achteraan. Landlopers... Dat lijkt me beslist een curieus scheldwoord voor een automobilist die weigert je een lift te geven!

Overigens gaat de vertaler dan weer z’n eigen gangetje:



Vraag van de week: wat is een loerak? En hoe kunnen we dit duiden als scheldwoord? Antwoorden vóór dinsdagochtend 09.00 uur naar tintinperdu@gmail.com. Onder de goede inzendingen verloot de TINTINPERDU-jury een doosje calqueerpapier.

dinsdag 18 april 2017

De maan heeft geen donkere kant


Terwijl S. met haar uit Nova Scotia ingevlogen zus naar de bollen ging, verheugde ik me op de nuttiging van Maangloed, de nieuwe roman van Michael Chabon. Het boek begint met een fraai, maar vertragend citaat van Wernher von Braun:

Eigenlijk heeft de maan geen donkere kant. De maan is gewoon helemaal donker.

Ik verloor nogal wat leestijd met het vervangen van het onderwerp door de namen van figuren die de voorbije halve eeuw mijn pad hadden gekruist. Toen ik me aan dat ontnuchterende spelletje had ontworsteld, liep ik vast in de klassieke eerste zin:

Zo heb ik het verhaal gehoord.

Probeer dan maar eens niet aan Voyage au bout de la nuit te denken!

Ça a débuté comme ça / Zo is het begonnen.

Waarna ik Maangloed weer dichtklapte en me de rest van de dag overgaf aan de scheldpartijen, het gootjargon en de mismoedigheid van Louis-Ferdinand Céline.
Het viel, na zoveel jaar, beslist niet tegen.
Als de hoofdpersoon op een stinkende boot en in een onverkwikkelijk gezelschap naar de Congo vlucht, is alle weerzin zo onweerstaanbaar grappig beschreven, dat ik me werkelijk moest inhouden. Hoe onbarmhartig was het om je tijdens het paasfeest in te laten met zulke hilarische misantropie?

Maar goed.

Plaatje!


Hergé leest CRABE – en leest moeten we natuurlijk tussen aanhalingstekens plaatsen, want welzeker is het de fotograaf die hem dat album in handen heeft geduwd.

Er is iets raars met zijn gezicht:



De lippen stijf op elkaar, de mondhoek naar beneden. En dan zijn rechteroog: daarin zit een hoop zorgelijks samengebald.

Waar denkt de Tekenaar aan? De eerste publicatie van het Krab-avontuur, in het eerste oorlogsjaar? Als CRABE van start gaat in Le Soir Jeunesse zijn er de anonieme briefschrijvers die hem zijn medewerking aan de door de bezetter gecontroleerde krant zwaar aanrekenen. Een van die briefjes eindigt met:

Et nous ne l’oublierons pas. — Non, nous ne l’oublierons pas.

Hij ook niet, denk ik. Hij ook niet.

donderdag 13 april 2017

De vrouw die ‘Merde!’ zei


De post bracht twee klassieke Hergé-studies, opnieuw uitgegeven in een voordelige Folio-editie.

Allereerst het voorbeeldige essay (eerste druk 1989) over de expressieve manifestaties van Hergés eerste vrouw:


Hélène Grémille, destijds hoogleraar Semantiek en Cognitie aan de Sorbonne in Parijs, onderzoekt de dichterlijke spleen in de brieven en dagboeknotities van Germaine Kieckens. Als jong en veelbelovend medewerkster van de Paris Match legde Grémille al in 1959 een eerste basis voor haar baanbrekende studie:


Minder bekend is de pathopsychologische beeldanalyse…


…die Christophe Boltan in 1984 maakte van een fragment uit LUNE. In kringen van tintinologen geldt Boltan als een beruchte haarklover en de 369 pagina’s die hij hier wijdt aan één plaatje uit het oeuvre van Hergé hebben daar zeker aan bijgedragen. Nochtans was hij het die met deze uitgave de ‘affaire de la lumière rouge’ aanzwengelde.

Pak het eerste MAAN-album er even bij (pagina 23) en zie:


Aanvankelijk tekende Hergé een rood alarmlicht boven zijn gesloten deuren. Dat deze een pagina later, in het uiteengerafelde fragment, ontbreekt, noemt Boltan geen slordigheid, maar ‘een overgave aan het onvermijdelijke’: de Tekenaar verzet zich niet langer tegen zijn geestelijke uitputting.

maandag 10 april 2017

Zo slecht was Hergé eraan toe


Nogmaals dit Weekblad-plaatje uit LUNE…


…omdat de beklemming ervan me de voorbije dagen niet meer losliet.

In een imposante mail probeerde Jan Aarnout Boer van het Hergé Genootschap me te verlokken tot een Sartriaanse beeldanalyse (‘Bespreek de symboliek van de rails, die op een gesloten deur uitkomen’). Uiteindelijk vond ik niet in Jean-Paul Sartre, maar in Stanley Kubrick de gids die me meevoerde naar het existentiële vraagstuk achter het beeld.

Uit de aard van de grap tekende Hergé vrijwel hetzelfde plaatje tweemaal:


Links hangen de stuntelige detectives bijna terloops de pias uit, maar mijn blik volgde automatisch de klare lijnen van de spoorstaven en werd onherroepelijk naar die twee deurtjes gezogen, met hun sinistere venstertjes. Waarom zitten die daar? En wat schuilt erachter, anders dan een inktzwarte duisternis?

Op dit punt is het moeilijk om niet te refereren aan de horror van Edgar Allen Poe. Vaak genoeg heeft de getroebleerde auteur zich in bochten moeten wringen om het onzegbare te verbeelden:

‘a degree of appalling and intolerable horror from which the most daring imagination must recoil’ - uit: The premature burial).

De naargeestige sfeer in die gang deed me sterk denken aan iets waar ik maar geen vat op kreeg. Pas toen ik de point of view van de Tekenaar concretiseerde, viel het kwartje. Hergé staat hier op de rails. Doen we als lezer een stap naar achteren, dan kijken we hem op de rug. Door die beweging te maken, begreep ik naar welk analoog beeld ik zocht:


De rug van Shelley Duvall, de gesloten liftdeuren in The Shining. De kijker weet: het gaat er niet om wat erachter schuilt, maar wat eruit tevoorschijn komt.


Hergé staat op de rails en hij kijkt naar die macabere deurtjes. Waar wacht hij op, wat verwacht hij? En stapt hij opzij als het zover is?

Voor eventuele antwoorden hoeven we het universum van Kubrick niet te verlaten:


Let op het schilderij achter Shelley Duvall. Niet toevallig hangt daar Horse and Train, misschien wel het bekendste werk van Alex Colville:


We zien een confrontatie van twee vrijheden. Het paard kan van richting veranderen, de machinist kan afremmen. De vraag die de kunstenaar stelt, is in hoeverre we ons lot in eigen hand kunnen nemen.

Dus wat doet Hergé? Een week na de publicatie van zijn beklemmende beeld in het Weekblad wordt het verhaal zonder toelichting bruusk beëindigd (Fin de la première partie). ‘Ik ben er heel slecht aan toe’, erkent de Tekenaar. Pas na negentien maanden hervat hij zijn MAAN-avontuur.

Maar wie hem doorziet, weet: hij staat nog steeds op die rails.

donderdag 6 april 2017

Het onbesproken werk


Naar Zalencentrum Concordia in Vierlingsbeek waar de jongerenafdeling van het Hergé Genootschap (regio Noord-Brabant) een thema-avond organiseerde over ‘Het onbesproken werk van Hergé’. Aan bod kwamen:


LUNE, pagina 23, strook 3, plaatje 2.


COKE, pagina 58, strook 2, plaatje 4.


TIBET, pagina 19, strook 4, plaatje 3.

Het jonge bestuur heeft reden de toekomst met een zeker vertrouwen tegemoet te zien: er werd door alle aanwezigen aandachtig geluisterd en enthousiast meegediscussieerd. Al met al dus een positieve bijeenkomst.

maandag 3 april 2017

De waarheid in de zaak Georges Remi



Naar het Metropole in Brussel waar Nick en Fanny Rodwell, in de majestueuze hotelbar, de toekomstplannen van Moulinsart zullen toelichten. D. stuurde me op de valreep zijn uitnodiging, een zware aanval van bronchitis houdt hem aan bed gekluisterd.

Ik ben die middag een kwartier te laat, maar nochtans is het extravagante belle époque-decor van ‘Le 31’ verlaten als een uitgedroogde kalebas. Op de leestafel liggen de verse ochtendkranten nog strak in het gelid.
Het is vandaag 1 april.

Juist als ik me vervuld van schaamte uit de voeten wil maken, zie ik de oudere dame aan het tafeltje vlakbij de vleugel. Ze wuift naar me. ‘U bent,’ zegt ze, ‘schijnbaar de enige die niet dacht dat het een grap was. Nick is gaan winkelen, we moeten dit soort zaken alleszins toch beter plannen.’ Haar gulle glimlach is open en uitnodigend. ‘De toekomst verveelt me,’ bekent de weduwe van Hergé. ‘Laat het ons liever over vroeger hebben.’

Ze heeft een valse nonchalance, wijst me soms scherp terecht maar gaat geen vraag uit de weg. Tussen de Korinthische zuilen keuvelen we urenlang als fijne buren en drinken er een uitstekende Mouton Rothschild uit 1979 bij. Als tot slot het beruchte bezoek van haar vorige echtgenoot aan de Zwitserse psychiater Franz Niklaus Riklin ter sprake komt, nodigt ze me uit mee te wandelen naar haar nieuwe stadsappartement aan de Anspachlaan. Daar speelt ze op een oude spoelenrecorder een kraakheldere geluidsopname af van het legendarische gesprek, op 27 april 1959 in Zürich, tussen de professor en de gekwelde Tekenaar.

Ik luister en wacht, in een onbeschrijfelijke staat van opwinding, op de woorden die al decennia als een grijze wolk boven elk Hergé-discours hangen:

‘U moet uw demonen uitdrijven, uw witte demonen. U moet in uzelf de Witte Demon van de Zuiverheid doden.’

En als ze dan eindelijk komen, oogsten ze een gierende uithaal van Hergé, een lach alsof er duizend korrels ongekookte rijst door zijn keel stuiteren. En dan hoor ik hem antwoorden, zijn antwoord is een lange gedachtenuithaal, een frenetieke woordenvloed die alles uit het lood slaat en alle eerlijke, verwarde en overdreven lezingen over de schepper van Kuifje – ja, de godganse bibliothèque Hergé – in één klap waardeloos maakt.

Dus dit is het Echte Verhaal?

Nick Rodwell komt binnen, met zijn lange dandyhaar en een levendige blik. Hij schat de situatie snel en goed in. ‘Het spreekt vanzelf dat we deze feiten voor het publiek verborgen houden,’ zegt hij. ‘Althans voorlopig, of tot we nadere gelegenheid tot onderzoek hebben gehad.’
Ik knik.
Ik ben zo hevig overstuur dat ik niet kan beslissen wat te doen.