woensdag 7 mei 2014

Styx



De post brengt de tien Fables van De Vroylande en Hergé. Drieënzeventig jaar oud inmiddels en niettemin in een nieuwstatigheid die geilneef Serge Gainsbourg zou hebben bezongen als wuft, wulps en wellustig.

En dus gevaarlijk.

Veelbetekenend is een kort verhaal van Gonzalo Rojas over een vluchteling die in het hart van de jungle een verlaten hut aantreft met een onberispelijke bibliotheek. Enkele titels zijn meer dan anderhalve eeuw oud. De man ontdekt niet de minste gebruikerssporen, zelfs geen begin van schimmel.
De hut wordt zijn nieuwe huis, het oerwoud versnelt zijn lichamelijke aftakeling. Maar die boeken willen maar niet ouder worden.
Het verhaal eindigt vanzelfsprekend met gekte en zelfmoord.

Overigens is de Fables een uitgave van Éditions Styx, wat óók veelbetekenend is. Bezie het droeve lot van de verzamelaar die - oud, uitgezakt en onwillig - is gestorven tussen zijn albums waar de tijd geen vat op heeft gehad. Charon, de veerman, zet zijn koortsige schim over de Styx. Maar rust zal hij nimmer vinden.

maandag 5 mei 2014

Schudden


Zaterdag 3 mei, 14.44 uur:


Bronzen sculptuur van Armando in het MOA in Bunnik. En wat is dit nou anders dan een pokdalige 3D-uitvoering van Hergé ’s iconografische Zwart Panel, het hardnekkig enigmatische plaatje uit SOVIETS waarin de Tekenaar de ontsnappingsscène uit de gestolen-kunstopslag verbeeld?


Mooi nieuw museum overigens, dat MOA. Een somber landhuis met Chinese behangsels en gered werk uit het afgebrande Armando-museum in Amersfoort. Naast de schilder en de beeldhouwer krijgt ook de schrijver Armando er ruim baan:

Ik zou zo graag es even aan het verleden willen schudden, maar dat kan ik niet, je gaat ook niet staan schudden aan een rots.

Die blijft liggen waar ie ligt.


In melancholie gesmoord, als een muzikale clown tussen de borsten van de uit de Boekelose zoutmijnen opgetrokken Olga Lowina*, reed ik terug naar Amsterdam. ‘Wat ben je toch een lieve sentimentele oude schaapskop’, zei S. die me ’s avonds zag schudden aan het Zwarte Rotsen-plankje.
Het bewoog.


*) Die einzige professionele Holländische Jodlerin.

dinsdag 29 april 2014

Schizofrene levenslijn



Bobbie, Kuifje en Haddock in een kajak. Juni 1943. Those were the days. Het is een van de kavels op de komende L’univers du createur de tintin-veiling in Parijs.

Koppel aan deze jaarlijkse Hergé-uitverkoop een doorsnee-veiling van originelen en je kunt een persbericht verspreiden dat net zo hard ronkt als de raceauto van John Archibald Pump:

Paris – Once again, the comic strip department at Artcurial, market leader in this field, is set to draw the crowds by dedicating an entire weekend to enthusiasts of the 9th art. This sale, the largest ever organised by Artcurial in this field, will be an opportunity for the auction house to establish a new record.

Wat volgt is fenomenale verkoopkwak (One of Hergé’s most accomplished pieces, both for its composition and the creative ‘ligne claire’ style) en vrolijk bedrog (The special edition of Tintin au Congo, as new, one of just two known examples in this condition - een dekselse leugen om de prijs nog wat op te jagen).

Maar de remmen gaan pas echt los in deze hagiografische levensschets:

The twentieth century belongs to Hergé : from the first plates created for Petit Vingtième, through the difficult years of the 1940s that nevertheless encouraged him to extend and reinvent himself…

Och toch, die moeilijke oorlogsjaren…

De passage wordt afgerond met een heuse primeur:

… and finishing with the heroic years of the Tintin comics– an important period for Hergé and Edgar P. Jacobs, his ‘ligne claire’ alter-ego.

Edgar P. Jacobs, het alter ego van Hergé! Hoe hebben we al die jaren deze schizofrene levenslijn over het hoofd kunnen zien?

maandag 28 april 2014

Vechten met nachtegalen


Met enige onwil, maar met dwingende, buitenlandse gasten, over de vrijmarkt geschuifeld. Mistroostige gewaarwording: na de videoband gaat ook de dvd teloor. In een andere eeuw en in een ander leven betaalde ik bijna tweehonderd gulden voor een VHS-band met het zwartgallige Cul-De-Sac. Huren kon ook (drie dagen voor 25 gulden, exclusief borg), maar de sensatie om een Polanski-film in bezit te hebben, was onvergelijkelijk. Ik herinner me alleszins de onverholen blijdschap en opwinding: begin jaren tachtig was het zomaar mogelijk (en betaalbaar) om een eigen filmbibliotheek op te bouwen.

Dertig jaar later mag het melancholieke Chinatown, óók Polanski, mee voor anderhalve euro. Ik laat ‘m liggen. Ergens in die drie decennia is er iets moois gesneuveld.

Foto!


Van links naar rechts: Appel, Hergé, Mortier.

Van Antoine Mortier viste ik uit een doos kunstboeken Het naakte teken, Vlaamse uitgave uit 2000, nog geseald in folie wat de tragiek van de artiest fijntjes benadrukt. Hergé worstelde met zijn witte demonen, de getroebleerde Mortier ‘vocht met de nachtegalen’. Uit mededogen dong ik niet af en betaalde de volle tien euro, voor een vrijmarkt een bijna onfatsoenlijk bedrag.

donderdag 24 april 2014

Kuifje onder de loep (46)


Begeven we ons vandaag op een onderzoeksterrein dat opmerkelijk onontgonnen is: de binding van Kuifje.

Pagina 15, strook 3, uit De Zwarte Rotsen:


Onze held is door Iwan, trawant van Dr. Müller, uit de wolfsklem bevrijd en gebonden. Laten we voor de details eens een tikkeltje inzoomen op de afbeelding uit de oerversie:


De handen op de rug en een touwtje om de romp. En daar schuurt iets, daar zit iets niet lekker, merkt allengs ook de goocheme Müller op:


Een paar jaar later, aan boord van de Karaboudjan, deinst Hergé er niet voor terug zijn geesteskind op soortgelijke wijze voor schut te zetten. In de workshop KUIFJE, HELD OF HANSWORST? zal deze koeioneerkwestie nader worden belicht.

dinsdag 22 april 2014

Kuifje onder de loep (45)


Vervolgen we, zoals aangekondigd, onze beeld-voor-beeldanalyse van het oeuvre van Hergé met plaat 15, strook 1 uit de oorspronkelijke Nederlandstalige editie van ÎLE NOIRE.

Onze held is ontsnapt aan de waakhond van de criminele dokter Müller (een schouwspel dat we in de vorige les hebben geanalyseerd en dat zijdelings ook aan de orde is gekomen in het college over De Klamme Lijn) maar thans loopt hij zich letterlijk vast:


Een kreet van pijn en een onjuiste constatering: EEN VOETANGEL!

‘Voetangel’ is de oude benaming van een kraaienpoot, een bijzonder vervelend, vierpuntig wapen waarmee Alexander de Grote al lustig liet strooien om de voeten van zijn vijand te verwonden (en hun opmars te vertragen).
In de tijd van de botersmokkel werden voetangels/kraaienpoten massaal ingezet in de Nederlands-Vlaamse grensstreek:


Hieronder zien we zelfs een hele emmer vol, uit de privé-collectie van Willy Vandersteen, die ze in groten getale rondstrooide in het album ‘Het rijmende paard’:


Kijken we naar de originele passage uit ÎLE NOIRE…:


… dan kunnen we de fout toeschrijven aan de vertaler. Onze held loopt zich niet vast in een voetangel, maar in ‘un piège à loup’, een wolfsklem...


Fragment van een antiek exemplaar, zoals er talrijke voor luttele tientjes op veilingsites circuleren. Let op de venijnige punten! Het vetgeïnkte OH uit het origineel (vreemd genoeg zónder uitroepteken) is als jammerklacht geloofwaardiger dan het toch wat ingetogen, taalspecifieke tussenwerpsel AUW!

Wolfsklemmen veroorzaken diepe vleeswonden en je moet oppassen dat je ze niet te strak afstelt. In dat geval happen ze letterlijk de voet van het lijf. Desalniettemin kunnen we uit het verloop van de gebeurtenissen opmaken dat het breekbare spillebeen van onze held tussen de tanden van de wolfsklem geen enkele noemenswaardige schade oploopt...


Komende donderdag: een beklemmende ontdekking op pagina 15, strook 3 van ÎLE NOIRE!

maandag 14 april 2014

Zie je die klok aan de muur?


Een expositie over surrealisme in kunst en beeldcultuur - het leek althans mij een probaat tegengif voor de overdosis realiteit van de voorbije weken. En dus vertrokken we met de ziel in de achterbak naar Utrecht waar we ons klemreden in een onwezenlijk verkeersplan.

Maar de zon scheen, we waren te druilerig om te gaan kniezen en nadien nog ruim op tijd voor een langgerekt dwalen langs de opraapkunst van Man Ray en Marcel Duchamp (een schoenzool in een kapitale lijst, een platgereden eiermandje), de samenscholing van somberkijkende wekkers en de fenomenale ‘Orgie’ van Maria Roosen, een rood net vol roze-glazen borsten, billen en penissen. De roestvrijstalen variant zagen we zes jaar geleden in een boom in Apeldoorn hangen:


Toegegeven, werkelijk opgewonden raakte ik pas bij het herzien van een fragment uit ‘Blue Velvet’ van David Lynch. Tijdens een wandeling in het bos vindt Kyle MacLachlan een mensenoor in het gras - OREILLE CASSÉE, maar dan (gruwelijk) anders. De film stamt uit 1986, bijna dertig jaar oud. In datzelfde jaar dit tafereel:


‘Edgar P. Jacobs knabbelt aan het oor van Germaine Kieckens,’ noteerde ik eerder. Inmiddels twijfel ik. De tekenaar lijkt haar iets in te fluisteren en misschien is het wel een citaat uit ‘Blue Velvet’:

‘Zie je die klok aan de muur? Over vijf minuten geloof je niet wat ik je heb verteld.’

Het is 16 april 1986 en precies tien dagen later ontploft kernreactor nummer 4 in Tsjernobyl.

woensdag 9 april 2014

Blaren


We sloten ons aan bij een rouwstoet, haastten ons nadien door een hagelbui naar de bezichtiging van de zoveelste koopwoning die geen warme gevoelens opriep en aten ten slotte een duif op de drieëntwintigste verdieping van het Okura - dicht bij een hemel die onverkwikkelijk aan het volstromen is.

Bij het toetje hield S. haar tranen niet meer in bedwang en liet me alleen met de kaaswagen. Ik dacht aan de sappelende melkboer Tevje, uit een boek van Sjolem Aleichem dat bekender is als musical en film (Anatevka/Fiddler on the roof). De Jiddische volksschrijver noemde het leven ooit ‘een blaar boven op een zweer met een tumor eronder’. Dat leek me vanavond niet geheel onwaar.

Plaatje!


Kinderlijke gretigheid bij de poppenvoorstelling van Carlo Speder. Onschuldig en nog zonder die verrekte bagage.

zondag 6 april 2014

Beneveld



Christie’s versus Sotheby’s: 3 - 1. Sotheby’s verkocht in 2012 met haar eerste internationale stripveiling een kwart van het aanbod, Christie’s hamerde gisteren in Parijs driekwart van haar kavels de wijde wereld in.

De weinig verrassende top-3 :

1. Hergé (plaat 54 TIBET, € 289.000)
2. Uderzo (voorplaat DE ZIENER, € 193.500)
3. Franquin (voorplaat DE ERFENIS, € 157.500)

Helemaal onderaan bungelt de misdeelde René Follet, Grootmeester van de Gemiste Kansen, met de welgekozen afbeelding van een gaarkeuken in de sneeuw (€ 625).

Nog een uitslag: De Zelfkant van Burra versus De Stropdas van Vance:


Burra presteerde vorige week dinsdag met € 19.000 zo zwaar onder de maat dat ik een tikkeltje spijt had van mijn afwezigheid in Londen. De ouwe Vance sloeg dan weer over de kop met een benevelde € 45.000. Bon, voor die prijs haal je óók een scheepskist met minstens tweehonderd (200!) Kiton-dassen van zijde en kasjmier uit Napels. Maar laat ik er maar over ophouden…


Dinsdag verder.

dinsdag 1 april 2014

Misverstand (2)


Veilinghuis Christie’s zoekt het, met 364 originelen, in de volle breedte: het aanbod is bijna vier maal zo groot als dat van de beruchte (lees: geflopte) Sotheby’s-veiling uit 2012. Naast de onvermijdelijke machokitsch en alle puberaal-geile vrouwen met prammende klabatsers, klotsende majoefels, kale kamelen, zengende tepelhoven en smeuïge sjamoezen (ik overdrijf slechts een tikkeltje) komt er veel leuks voorbij en ook veel lolligs. In het aandeel-Hergé is dat allicht niet de obligate plaat uit TIBET, maar toch zeker wel deze klassieke karwats-prent uit 1947…


Richtprijs: € 75.000. ‘Leuk’ en ‘lollig’ zijn geen begrippen die zich verhouden tot de additionele prijslijst van Christie’s. Juist wilde ik besluiten dat dit soort boeldagen bij serieuze veilinghuizen met dito prijzen een infantiele vergissing zijn (en vulgair bovendien), toen mijn oog op dit origineel van Carlos Giménez viel:


Los Profesionales verscheen dertig jaar geleden in de Nederlandse Rhaa Lovely. Giménez’ herinneringen aan zijn jonge jaren als striptekenaar in Barcelona zijn hartbrekend ontroerend en imposant grappig en ik ken geen strip die me zo deed verlangen naar een gemeenschap waarvan ik nooit deel heb uitgemaakt. Voor de goede verstaander schuilt er bovendien een fijne grap in dit kavel*: deze aflevering gaat over gesjoemel met verkochte pagina’s...


*) Christie’s plakt er een richtprijs van € 2.000 op. De tekenaar zelf doet ze, op zijn site, voor de helft van de hand.

maandag 31 maart 2014

Misverstand (1)



Links: gouache van Edward Burra (1905 - 1976), rechts: gouache van William Vance (1935-2017). Burra gaat dinsdag onder de hamer bij Sotheby’s, op de attractieve Made in Britain-veiling. Vance steekt komende zaterdag bij Christie’s de kop op, als kavel 85 op de Bande Dessinée et Illustration-veiling in samenwerking met schrokop Daniel Maghen.

Beiden hebben een richtprijs van € 25.000.

Dat over smaak niet valt te twisten, is een gekend misverstand. Maar laten we hier slechts opmerken dat zelfkantschilder Burra een gezonde belegging is* en vooral: met goed fatsoen aan de muur te hangen.

Een kwart ton neertellen voor een stijve Joris met botoxlippen en een das als deze…


Wat kon ik anders dan denken aan het achtergebleven klasgenootje uit de vierde van de Montessori die ons op het schoolplein veel te veel knikkers (ja, soms zelfs bonken en reuzebonken) betaalde voor de uithalers uit de Pep?


*) Burra’s goedgeluimde Zoot Suits werd op een eerdere Sotheby’s-veiling (2011) afgehamerd op een recordbedrag van ruim twee miljoen pond.

donderdag 27 maart 2014

Kommando Zeppelin (2)



Andries Brandt (midden, lichtblauw jasje), hier als medeoprichter van De Vrije Balloen.

V.
Ook leuk en misschien nog wel beter: ‘De voerman des doods’. Tekeningen: Carry Brugman. Tekst: Andries Brandt. Onvermoede horror voor de lezertjes van het weekblad Sjors, geschreven met het soort vanzelfsprekende vakmanschap waarvan ik soms vrees dat het is achtergebleven in de vorige eeuw.
In ‘Strips! 200 jaar Nederlands beeldverhaal’, begeleidend boekwerk bij de gelijknamige tentoonstelling, duikt Brandt op acht pagina’s op. Geen woord over zijn verleden, wel de constatering dat voetbalstrip Roel Dijkstra zijn vertrek als schrijver eigenlijk niet heeft overleefd.

VI.
Ik zocht naar ‘Andries Brandt’ op Wikipedia. Het hoofdonderwerp is verdwenen. De Comiclopedia van Kees Kousemaker rept terloops van een dienstverband bij de Waffen-SS en schakelt snel over naar een naoorlogse carrièrebeschrijving. Dat is een tikkeltje karig. En jammer, want het correcte lemma zou meteen het meest enerverende van deze database zijn:

Andries Brandt (1918 - 1985) diende in zijn jonge jaren bij de Waffen-SS en maakte in de laatste weken van de oorlog deel uit van Kommando Zeppelin, een op eigen gezag opererend doodseskader dat zich schuldig maakte aan plundering, marteling, verkrachting en moord. De excessen die werden begaan, waren zo wreed dat Brandt c.s. door de Duitse bezetter werd gearresteerd. Achttien jaar later werd hij hoofd van de stripafdeling bij de Toonder Studio’s.

VII.
Brandt kwam ermee weg, dat wil zeggen: hij duikt na de oorlog onder bij zijn moeder. Die snijdt met een scheermesje het SS-teken uit zijn bovenarm.

‘Als de zoektochten naar hem intensiever, maar de straffen tegen oorlogsmisdadigers wat milder worden - het hellend vlak van gratieverlening is betreden -, besluit hij zich aan te geven.’

(Wim Hazeu in zijn Toonder-biografie, pagina 261)

Brandt zal zijn betrokkenheid bij de wandaden van Kommando Zeppelin opbiechten…

‘… met de toevoeging dat hij slechts getuige was (…) Brandt heeft alles gezien maar voelt zich niet schuldig.’

Hij krijgt tenslotte een werkstraf van een paar jaar in de Staatsmijnen. In 1955 solliciteert hij als tekenaar en schrijver bij Toonder Studio’s. Marten neemt hem na een langdurig onderhoud aan. Toonder, later:

‘De sukkelaar had het lang niet gemakkelijk gehad met zijn leven, volgens mij heeft hij zijn leven daardoor eigenlijk verwoest. Hij was maar een half mens, niet meer in staat om een volwaardig bestaan te leiden. Wat er van hem over was, was de artist.’

VIII.
Is het denkbaar dat de stripmaker inderdaad alleen maar ooggetuige is geweest van de uitwassen van zijn kameraden en zelf zijn handen niet vuil heeft gemaakt? Dat leek me een vraag voor een collega van S. die ooit een documentaire voorbereidde over voormalige Nederlandse SS’ers in het Vreemdelingenlegioen. Het ondubbelzinnige antwoord:

‘In dat soort broederschappen zijn geen plaatsen langs de zijlijn. Betrokkenheid betekent altijd meedoen. Ik ken geen uitzonderingen. Die bende van Andries Pieters - en dat was het, een moorddadige bende - was ten diepste ’ohne Gewissen’. Als er gemarteld werd, martelde iedereen. Als er gemoord werd, moordde iedereen.’

IX.


Links: Patty Klein. Rechts: Andries Brandt.

Brandt overleed in april 1985. Toonder-medewerkster Patty Klein hoorde toen pas, van diens broer, alles over het oorlogsverleden van de man waarmee ze jarenlang emotioneel zeer nauw verbonden was. Ze verneemt ook dat Marten Toonder in grote lijnen daarvan op de hoogte is geweest. De schok wordt nog groter als ze beseft dat Brandt tot de kring van allerergste oorlogsmisdadigers heeft behoord. Op haar site schrijft ze, onder de naam Patty Scholten:

Collega’s wisten niets van A.’s verleden,
erover praten vond ik ongepast.
Ik torste zijn geheim – een loden last –,
van iedereen vervreemd en afgesneden.

De collega's konden altijd geweldig met hem lachen.

X.
In 1965 coördineert de suspecte (...) Hergé de publicatie van de hertekende De Zwarte Rotsen in het weekblad Kuifje. In datzelfde jaar bedenkt Andries Brandt van het Kommando Zeppelin voor het weekblad Donald Duck ‘De Booswichtenclub’, een vriendenclub (waaronder Midas Wolf en Bruin Beer) die het Duckstadse bos terroriseert.

De geschiedenis is een perpetuum mobile van perverse anekdotes.

dinsdag 25 maart 2014

Kommando Zeppelin (1)



I.
‘Een huwelijk? In kasteel Engelenburg? Natuurlijk gaan we! Wat een geweldige plek…’
- Sinds wanneer geef jij om trouwpartijen? vroeg S.
‘We zouden er kunnen overnachten,’ stelde ik voor. ‘Wat denk je?’
Maar ze wantrouwde mijn enthousiasme en ze dacht niet dat we zouden gaan omdat ze sowieso dacht dat ze niet kon. En dus gingen we niet, wat me nogal speet. Wel wierp ik nog een blik op de website van het Gelderse kasteel. ‘Geniet de geschiedenis’, las ik. En ook: ‘Heden en verleden komen hier samen.’

Dat kon je wel zeggen ja.

II.
Engelenburg is een kasteel van likmevestje, een landhuis met slotgracht en een gore historie. Op 6 april 1945 strijkt Kommando Zeppelin (ook wel: Kommando-Steinbach) er neer: dertig losgeslagen, veelal Nederlandse SS’ers onder leiding van Untersturmführer Andries Pieters. Dankzij tips van de lokale SS en SD kunnen zijn manschappen in een mum van tijd tientallen - vermeende - verzetslieden arresteren. Engelenburg (‘Wakker worden en nog even verder dromen’) wordt een martelcentrum: slaan met gummiknuppels, afbinden van geslachtsdelen, brandende kaarsen uitdrukken op lichamen, spijkers onder nagels slaan, gloeiende poken, verkrachting en ten slotte executie. Op 13 april 1945 vluchten Pieters en zijn mannen alweer voor de oprukkende Canadezen. Terloops geven ze acht gevangenen een nekschot en gooien de toegetakelde lijken in de kasteelgracht. In een landhuis in Loosdrecht worden de gruweldaden nadien voortgezet.

III.
In 1952 verklaart de toenmalige minister van Justitie:

‘De feiten waarom het hier gaat, behoren tot de allerergste, die hier te lande tijdens de oorlog zijn gepleegd.’

Pieters en zijn mannen gingen zo beestachtig te keer dat het zelfs het hoofd van de Sicherheitsdienst in Amsterdam te gortig werd. Oorlogsmisdadiger Willy Lages gaf opdracht om het voltallige Kommando Zeppelin ‘wegens excessen’ in te rekenen.

Op 21 maart 1952 krijgt Andries Pieters de kogel - de laatste doodstraf die in Nederland wordt voltrokken. Pieters heeft zijn betrokkenheid bij zware mishandeling toegegeven, van de gruwelijke martelingen wil hij niets weten. Die zijn, houdt hij vol, begaan door zijn manschappen.

Een van die manschappen heet ook Andries.

IV.
‘U bent op kasteel Engelenburg. Door het open raam hoort u de vogels. Over de slotgracht kijkt u het kasteelpark in.’

Wat had ik in die oase willen lezen? ‘Holle Pinkel en de Sidderkuur’? ‘De maagd van Otterhout’ (uit de reeks Horre, Harm en Hella)? Of toch ‘Gevaarlijk spel’ met de anatomisch misvormde Roel Dijkstra? Laat ik mezelf wijsmaken dat ik had gekozen voor dit veronachtzaamde juweeltje:




Donderdag: ‘Collega’s wisten niets van A.’s verleden, erover praten vond ik ongepast. Ik torste zijn geheim – een loden last –, van iedereen vervreemd en afgesneden.’

maandag 24 maart 2014

De kronieken van Molensloot (24)


Wat vooraf ging: Germaine is inmiddels uit de wrakstukken van de Lancia Aprilia gezaagd en met spoed overgebracht naar het ziekenhuis. Daar krijgt ze te horen dat ze de rest van haar leven mank zal blijven. Haar man kan dit nieuws nauwelijks verwerken.







vrijdag 14 maart 2014

Aan het werk!*






*) Vanaf dinsdag 25 maart vervolgen we hier onze reis voorbij de voordeur van Hergé.

donderdag 20 februari 2014

Fonkelende ogen (2)



TIBET, pagina 25: de Yeti die gewelddadig wordt als hij alcohol heeft gedronken…

Dronk oom Tchake?

Ik herlas TIBET en liep vast in assumpties. En het lijkt allemaal zo verrekte helder: de seksuele mishandeling van de jonge Georges, de interne strijd, de Yeti als kindervriend en als monster…

Als de Tekenaar die tragiek in het album heeft verwerkt, dan dient zich nog een andere tragedie aan. De studio-Kuifje kan die emoties helemaal niet aan. Het geesteskind van Hergé is in deze fase van zijn carrière al letterlijk rimpelloos. Leg daar LOTUS BLEU eens naast waarin, naarmate het verhaal vordert, gezichtslijnen en rimpels een waaier aan expressies mogelijk maken. In TIBET is de held een botox-figuurtje en kunnen de tranen evengoed zweet- of regendruppels zijn.

Toen ik het album dichtklapte, verlangde ik vurig naar een Andere Levenslijn, naar een tekenaar die is losgekomen en die in een interview verklaart:

‘Ik begreep dat ik deze pijnlijke geschiedenis alleen maar op papier kon zetten door terug te keren naar de lijnvoering van LOTUS BLEU. Dat betekende dat ik de klus zónder de Studios moest klaren, dus in mijn eentje.’




Ik knijp er even tussenuit. Half maart verder.

dinsdag 18 februari 2014

Fonkelende ogen (1)



Pintura negra. Carte noire. Links oom Tchake, rechts de jonge Georges.

In het schemerduister van de grot boog zich een enorme kop over me heen en staarden twee fonkelende ogen me aan.

TIBET, pagina 58. Is dat het? Is dát de meest ondubbelzinnige verbeelding van een traumatische wond waaraan de Tekenaar zich heeft gewaagd? Het misbruik door zijn tien jaar oudere oom Tchake (Arthur Dufour, de jongere broer van zijn moeder), waarover Benoît Peeters rept in zijn ‘Fils de Tintin’ en waarover de biograaf tegelijk terughoudend is, want: geen documentatie, geen ooggetuigen?

Let op de angst bij Tchang voor de boosaardigheid van de Yeti (die óók zorgzaam is). Het tafereel is, ook zonder de begeleidende tekst, emblematisch voor kindermisbruik in een thuissituatie. Het lijkt me allemaal zó onmiskenbaar dat ik in het duister tast over deze schamele Google-score: Tchake + Hergé = 9 hits.

zaterdag 15 februari 2014

Rectificatie



Bij het afbeelden van de zeldzame Hergé-kaarten, afgelopen woensdag, is iets misgegaan. De middelste kaart (hierboven links) is geen Carte noire, maar een Carte libertine. Onder de zwarte folielaag treffen we niet de verbeelding van Hergé’s diepste angsten en depressies, maar het scabreuze plaatje dat Hanco Kolk tekende voor het album ‘De glunderende gluurder’ van Ben Jansen.

Overigens, hoewel ik de kostbare Cartes noires in bruikleen heb, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en heb ik, met bevende hand, de zwarte vlieseline van een van de kaartjes weggekrabd. De afbeelding die tevoorschijn kwam, sloeg me onmiddellijk uit het lood.


(Wordt dinsdag vervolgd)

woensdag 12 februari 2014

Ultra-afsplitsing



I.
‘Vroolijk kerstfeest!’, wenskaart uit 1942. Kuifje achtervolgt twee leden van de Klein-Brabantse verzetsbeweging de Zwarte Hand die de kerk gaan opblazen waarin Freiherr Alexander von Falkenhausen, militair gouverneur van België, de nachtmis viert. Onze held weet op het nippertje de Militärbefehlshaber van een wisse dood te redden.

De kaart, uit een kavel van vier goedbewaarde Cartes neige/Sneeuwkaarten, is morgenavond een van de toppertjes op alweer een Hergé-veiling van Catawiki. ‘Uiterst zeldzaam’, volgens aanbieder Marcel Wilmet.

II.
Nog veel zeldzamer - en zelfs bij menigeen volledig onbekend - is het setje van drie Cartes noires:


De afbeeldingen gaan verborgen onder een zwartgetinte ‘vlieseline’ (een in water oplosbare folie) en verbeelden scènes van doodsangst en depressie die ontegenzeglijk verwant zijn met de Pinturas negras van Francisco Goya. In drie uitzonderlijk gruwelijke taferelen ontdekken we telkens een personage dat een hybride lijkt van de karakters uit de albumreeks: een wanhopige ultra-afsplitsing waarmee Hergé vermoedelijk een cruciale beschadiging uit zijn jeugd (het misbruik door zijn oom Tchake?) probeert te herleven en verwerken.


Met dank aan Hans Matla voor het ter beschikking stellen van de Cartes Noires.

maandag 10 februari 2014

Gedeformeerd


Veel moois gezien op Art Rotterdam, kunstbeurs in de Van Nellefabriek, en ook veel van meelachtig allooi:


Plus een onverhoopte ontmoeting met W. die zijn MacBook openklepte en ons delen van de soundscape liet horen die hij maakt* bij Vormittagspuk. De film is dadaïstische leut** uit de tijd dat een piepjonge Georges Remi net in dienst is getreden bij Le XXe Siècle.

Jansen en Janssen waaien (veelvuldig) voorbij…


…en ook Benjamin Rabier duikt heel even op:


Tevens stak de gedachte de kop op dat deze verzamelaar inmiddels een gedeformeerde kijker is.


*) Hij is de eerste niet, merkte S. later boosaardig op.
**) Een stille versie is hier te bekijken.

vrijdag 7 februari 2014

Zwamvlokken


Naargeestige woning bezichtigd met een goedgeluimde S. en daarna steak met frieten gaan eten in De Kring. Ettelijke uren later, in het herentoilet:


Acht maanden oud hartzeer, geplodderd op de muur van een sociëteit waar ik mijn geliefde net iets te vaak heb zien dansen met een schabberige filmproducent. De ondertekening is onnozel en onnodig, het onverzorgde en ongebonden handschrift ogenblikkelijk herkenbaar.

‘Je vroeg er ook om’, zegt S.
- Ik vroeg erom?!
‘Je was zo’n drama queen toen. Maar dat nam me wél weer voor je in.’
- En dan sluip je een herentoilet in om… Hoe lang staat dat er al?
Een half jaar, zegt ze. Minstens. En ze lacht en ik overweeg haar op diezelfde muur ten huwelijk te vragen. Huisje kopen buiten de stad en de verzameling in een schuur waar zwamvlokken de nalatenschap van Hergé geduldig zullen oppeuzelen.

Geluk is wat je er op een bepaald moment onder verstaat. Net als kunst: wat de gek ervoor geeft.

woensdag 5 februari 2014

Onthoofd


Gedenken we hedenmiddag kapitein ter zee Jan Bont, in dienst van de Admiraliteit van Amsterdam en voormalig scheepsgezel van Michiel de Ruyter. Vandaag, 5 februari, is het precies 337 jaar geleden dat deze tijdgenoot van François de Hadoque ‘wegens ongeoorloofd verlof’ op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam werd onthoofd. Bont wandelde in zijn kamerjas en op sloffen naar het schavot en de belangstelling voor zijn rollende hoofd was zo groot dat een aantal toeschouwers werd doodgedrukt.

Toegegeven, een irrelevant geschiedenislesje, maar wél een voortreffelijk excuus om dit af te beelden:


Het is donderdag 1 november 1934 en Hergé jaagt zijn lezertjes de stuipen op het lijf met een enge Chinees die, balancerend op het onderkader, hen de kop wil afhakken! De gruwel wordt nog eens heel fijntjes aangezet door het ontbreken van enig verklarend onderschrift (‘Tintin en grand danger…’).

De Tekenaar heeft nadien de smaak flink te pakken: in december ’34 en april en augustus ’35 verschijnen nog drie omslagen waarop wordt gedreigd met een bloedige scheiding van hoofd en romp. Zo maakt de wrede Georges de teerste kinderzieltjes rijp voor de praktijk van Herr Doktor Riklin.

maandag 3 februari 2014

Festivalnieuws


En op de valreep toch nog een aardig nieuwtje van het overigens nogal matte, 91ste Festival de la Bande Dessinée d’Angoulème. Klare Lijn-adept Julius Briel is door Casterman gecontracteerd voor de Tintin-équipe d’hiver. Briel, van wie in 2063 nog een grote overzichtstentoonstelling was te zien in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, gaat Tancrède Thaddée assisteren bij het tekenwerk voor het 53ste Kuifje-album. De titel is onlangs prijsgegeven: ‘On est revenu sur la lune’. Scenarioschrijver Lucien Errembault, eerder verantwoordelijk voor de cytosol-uitgave over ingenieur Frank Wolff (deel 7 in de spin-off reeks Tintin Legends) keert daarmee terug op bekend terrein. Briel gaat mogelijk woensdag al naar de maan om schetsen te maken in de Schackleton-krater.

Ondertussen staat er met Gaspard Edwood ook een backuptekenaar klaar voor het Tintin-zomerteam. Het koppel Faustin Krupp en Francis Lartéguy lijkt te struikelen over de deadline voor ‘Tintin Sans Voiles’, de inmiddels veelbesproken reboot van de reeks waarin het universum van Hergé rauw en duister wordt ingekleurd. Wil Casterman de frequentie van vier releases per jaar (buiten de nevenreeksen Legends en Jonge Jaren én de officiële parodiereeks van Maurice Stobbaerts) handhaven, dan is een extra tekenaar welkom.

Voorts werd in Angoulème ook duidelijk dat de équipe de printemps onder leiding van Régis Calvo keurig op schema ligt. Het Bretonse wonderkind Matthieu Soumois tekent momenteel de laatste pagina’s van het lentealbum ‘Tintin et l’Alph-Art Redux’, een project dat voortvloeit uit de vondst van het originele storyboard van het laatste, onafgemaakte album uit de eerste, papieren cyclus.

donderdag 30 januari 2014

Lefdoekje


‘Hergé was niet mooi. Zijn neus was te groot, zijn gezicht te langgerekt. Hij had een paar van die ondankbare dingetjes die hem, op jonge leeftijd, deden lijken op een Belgische renner uit de Ronde van Frankrijk. Het beste waren zijn ogen, grijs - met soms groene, soms blauwe reflecties. En er was zijn slungelige silhouet dat hem een zekere uitstraling gaf.’

Begint goed, dat oude Hergé-lemma op het mode- en stijlblog Le Chouan! Over de kledingstijl van de Tekenaar: van de jongeman die zijn filmidolen imiteert en de onverhulde conservatief die kiest voor non-descripte kostuums tot de gearriveerde kunstenaar die het allemaal niet zoveel meer kan schelen.

Meest vermakelijk blijft natuurlijk de Georges die een Gary Coopertje doet:


Hier met Germaine op de stoep van zijn woning aan de Knapenstraat, halverwege de jaren dertig. Let op het pochet, in die tijd nog wel aangeduid met ‘lefdoekje’. Hergé draagt ‘m in de One Corner Up Fold, een heel eenvoudige vouw en, zoals dat dan heet, ‘toch elegant’. Geschikt voor informele en formele outfits en gelegenheden. Over het algemeen geldt hier: hoe verder het pochet uitsteekt, hoe informeler. Daar moeten we aan toevoegen: een pochet dat vér uitsteekt, vráágt om een dessin en/of een kleurtje. Maar Hergé kiest voor wit, trekt hem informeel ver uit en dat oogt niet zo lekker - toch een beetje de man met een werkbriefje in zijn borstzak.