maandag 18 februari 2013

Kleurloos



De verrukkelijke France Ferrari in de weer voor Theo van den Boogaard. Origineel werk uit diens Sjef van Oekel-reeks hangt sinds vorige week in de verkoop bij Galerie Champaka in Brussel.

In een interview vandaag op ActuaBD herinnert Van den Boogaard zich een Hergé-expositie die hij bijwoonde in het gezelschap van Fanny Rodwell. Hij raakte nogal onder de indruk van het getoonde werk:

‘Het zat stampvol correcties. (…) De werkwijze van een tekenaar wordt op die manier blootgelegd: je ziet elke stap die is gezet bij de compositie van een tekening of een plaat.’

Echt enthousiast was Van den Boogaard toch niet:

‘Ik geloof niet dat het een goed idee is om platen in zo’n staat te tonen, maar goed…’

In de 58 originele pagina’s en stroken* die bij Champaka hangen, wordt niks blootgelegd. Ze zijn af:

Keurig geïnkt, geen correcties te bekennen. Voor € 2.500,- haal je iets in huis wat behoorlijk kleurloos is - en niet alleen omdat de hemelse ecoline van France Ferrari ontbreekt.

Dan is de ongedwongenheid van zo’n eerste schetsje toch veel aanstekelijker:





*) Klik!

donderdag 14 februari 2013

Luchtpost


I.

Veilinghuis Artcurial noemt kavel 165 (de inkleuring van pagina 55 en 56 uit L’ÎLE NOIRE, 1943) ‘la première édition couleur’. De pezewever mag nu opmerken dat een groot deel van de voorpublicatie óók in kleur was. Op 28 april 1938 krijgen de lezertjes van Le Petit Vingtième veel rood en een aanmerkelijk schunnig groen voor de kiezen:



II.

Kijken we eens goed naar dat laatste plaatje. Voor de albumversie uit 1943 tempert Hergé het contrast en ontneemt het personage op de voorgrond zijn knalrode haar:


En in 1965 trekt Bob de Moor (die het album nota bene Britser moest maken) hem ook zijn tweed jasje uit!


De brokkenpiloot/mecanicien mag in deze versie (helemaal rechts) overigens zichtbaar gekwetst liggen wezen. Dat de tere lezertjes maar niet denken dat er zich stoffelijke resten onder die vleugel bevinden.

III.
Coïncidentie: hetzelfde aprilnummer van Le Petit Vingtième plaatst op pagina 15 een klein berichtje over de stuntvlieger Otto von Hagenburg en diens geslaagde optreden in Parijs. Veel minder succesvol was de Duitse graaf een jaar eerder tijdens een show in Cleveland. Hij vliegt, net als Jansen en Janssen, ondersteboven, over de hoofden van 50.000 toeschouwers. En hij crasht:


En ook hij ziet sterretjes:


Een echte ijzervreter, die Otto:




dinsdag 12 februari 2013

Coïncidenties



Bundel van vijf LE SOIR’s uit april en juli 1944, kavel 4456 op de Hergé-veiling van Galerie Moderne. De ‘subtiele collaboratie’ van Hergé valt nauwelijks op. Kuifje en professor Bergamot zijn bijkans bedolven onder de beursberichten.

Er gaat op 3 maart amusanter spul onder de hamer in Brussel, maar let eens op het laatste plaatje uit de strip. Luttele dagen eerder veilt Artcurial in Parijs het origineel:


Sublime passage de la scène cruciale et mythique de cet album! De superlatieven zwieren uit de schoorsteen. Richtprijs voor deze 10,5 bij 16,7 centimeters: € 12.000 - 17.000.

Nog meer coïncidenties? Jawel, bij Artcurial ook de originele inkleuring* van pagina 55 en 56 uit L’ÎLE NOIRE (1943), met bovenaan pagina 56…


…de zendmasjien zoals we die inmiddels ook kennen uit Rikki Speurder…

Het Parijse veilinghuis ontpopt zich in steeds heviger mate als het afslagpunt van de iconen uit mijn jeugd. En laat ik eerlijk zijn: het 12-jarig knaapje achter mijn grijzende façade krijgt van dit kavel een zachte vouw in zijn ziel:


Maar, zeventig mille? De volwassen kunstliefhebber in me vindt het vulgair. Voor hetzelfde geld, waarschuwt hij, tik je morgen bij Sotheby’s in Londen drie (3) werkjes van Joseph Beuys op de kop. En op de muur, mét goed fatsoen.

Hij zou eens zijn hooghartige kanis moeten houden, die Popo Kabaka.


*) Stokpaardje van ART9expert Marcel Wilmet die nimmer nalaat te verkondigen wat een geweldige investering het toch is, zo’n inkleuring.

maandag 11 februari 2013

Een rivier van tranen



Hergé had een broer, Paul, die een zoon had, Georges. En deze Georges, de neef, is de auteur van dit boek.

Dixit Stéphane Steeman in zijn wat schutterige voorwoord bij ‘Un oncle nommé Hergé’ van Georges Remi jr. Het 66-jarige neefje van de Tekenaar schudt de lezer daarna weer wakker. Hij laat zijn biografische notities (‘een politiek incorrecte getuigenis tussen tederheid en rebellie’) als een echte thriller beginnen:

September 1979.
Die ochtend trof ik in mijn brievenbus een envelop met het beeldmerk van de Studios Hergé. (..) Terwijl ik hem opende, werd ik overvallen door een naargeestig gevoel.

De envelop bevat een kille notitie van de oude Hergé die het vertikt om aanwezig te zijn bij de opening van de allereerste expositie van tekenaar en maritiem schilder Georges Remi jr.

De reden laat ik hier even in het midden, de reactie van de neef niet. Die ontploft op larmoyante wijze:

Ik slaakte een kreet van woede. Als een gebouw dat een ruïne wordt onder de vernietigende kracht van een sloopmachine, viel mijn lichaam uit elkaar, spier na spier, zenuw na zenuw, in een lange, tumultueuze rivier van tranen.

Neef is not amused, zoveel is duidelijk. Dertig jaar na de dood van oom heeft hij ‘zijn waarheid’ op papier gezet. Boekpresentatie: aanstaande woensdag in de Brusselse boekhandel Filigranes. Meer informatie op het blog van junior: georgesremi.eu. Daar staat ook een overzicht van zijn grafische werk waarvan mijn smaakpapillen dan weer in een wilde rivier van ontzetting kukelden:


Let op de golven, die vormden de aanleiding voor de onmin tussen senior en junior.

donderdag 7 februari 2013

Vintage Hergé



Heeft de Breugel van het Beeldverhaal leentjebuur gespeeld bij de Meester van de Klare Lijn? Tsja, mailt een korzelige lezer, wie zegt me dat Vandersteen niet gewoon een in die tijd gekend zendapparaat heeft getekend?

Typisch een kwestie voor oud-Stripschapper Louis M. die een webstek beheert tjokvol historische zend- en ontvangstapparatuur. Heeft Hergé in 1938 (en Vandersteen in 1944) een bestaand apparaat op papier gezet?

‘Nee, die zend-ontvanger lijkt in de verste verte op geen van de door mij bekende toestellen uit Engeland, België (jazeker, het Belgisch leger had voor 1940 een respectabel assortiment transmissiemiddelen), Frankrijk, Duitsland, Italië of de Verenigde Staten. Maar ik moet het de oorspronkelijke tekenaar nageven: hij heeft een redelijk realistisch apparaat neergezet.’

Louis heeft één punt van kritiek:

‘Ik heb nog nooit de aansluitingen van de microfoon en hoofdtelefoon aan de zijkanten van een zend-ontvanger gezien.’

De grap is natuurlijk dat Vandersteen ook dat foutje van Hergé gedachteloos heeft nagetekend. Maar goed, Van Hooydonck heeft een mooie slag geslagen. Een originele Vandersteen plús een vintage Hergé in één tekening en in één koop.

dinsdag 5 februari 2013

Allo...Allo...Ici Willy...



Omslagontwerp voor Rikki Speurder (1944), afgelopen weekend afgehamerd op € 33.000,- (lees: gekocht op zijn eigen feestje door veilinghuismedewerker Peter van Hooydonck).

Een curieus werkje: het is de twee belhamels met hun spichtige lijfjes gelukt een loodzware radiozender op een rots te hijsen om aldaar contact te leggen met een vikingschip. We moeten constateren dat Willy Vandersteen de bezettingsjaren geestelijk nog niet helemaal heeft verwerkt.

Vergelijk overigens het zendapparaat uit deze ‘historische compositie’ (term van veilinghuis Bernaerts) eens met het apparaat dat Hergé in 1938 tekende in de ontknoping van L'Île Noire (voorpublicatie in Le Petit Vingtième):



Voor het gemak heeft de Breugel van het Beeldverhaal wat knoppen achterwege gelaten en de microfoon- en hoofdtelefoonuitgangen naar de linkerzijde verplaatst.

maandag 4 februari 2013

Verzamelaarsdroom


S. troonde me mee naar een receptie in Louwmans automuseum waar de conversatie zo hermetisch was dat ik me al snel buitengesloten voelde. Ik ontvluchtte de filmzeloten en het borrelgarnituur en verkende de verlaten expositieruimtes. Autohandelaar Louwman heeft een fenomenale collectie antieke en klassieke automobielen. Hij heeft ook nogal wat zalen gevuld met het soort automobielgerelateerde kunst en sculpturen dat duidt op een fenomenaal slechte smaak.

Mijn zwerftocht eindigde bij een schrijn met een afgeleefde verzamelaarsdroom:


De allereerste Toyota, een AA, gemaakt tussen 1936 en 1943. 1.404 exemplaren gebouwd, geen enkel overlevend exemplaar. Het Toyota-museum in Japan liet in arren moede een replica bouwen. Tot Louwman de tip kreeg dat er mogelijk eentje in een boerenschuur stond. In Rusland.
In Vladivostok.

‘Ah, daar ben je,’ zei S. die achter mijn rug was opgedoken.
‘Het kostte zeven maanden en een klein fortuin om dat ding naar Nederland te krijgen,’ vertelde ik. ‘En weet je wat nou zo mooi was? Onder een van de stoelen vonden ze een stuk landbouwplastic met daarin verpakt een genummerde editie uit de premier mille van AU PAYS DES SOVIETS, gesigneerd door Hergé en Germaine én door Olga Aleksandrovna, de jongste zus van de laatste tsaar van Rusland.’
S. knikte. ‘Stil maar. We gaan naar huis. Je mag naar je boekjes.’

donderdag 31 januari 2013

Donderdag. LPV-dag!


Memoreren we plichtmatig het galgenbrok Adolf H. die deze week tachtig jaar geleden werd ingezworen als rijkskanselier: gereed om alle macht naar zich toe te trekken. Maar veel interessanter is de kwestie wat de trouwe Petit Vingtième-lezer in exact dezelfde week uit de krant van zijn oudeheer trok.

Zijn held in een sarcofaag! Een meesterstuk...


… met een macaber binnenwerk dat garant stond voor slapeloze nachten:


Staan we ook nog even stil bij de stumpers die in 1976 dit lauwe prakje voor de kiezen kregen:


Opdat wij niet vergeten.

dinsdag 29 januari 2013

Inbox


Scudder: Wat een bezielende mail! En ook: wat een grof geschut. Dikke Bertha is er niets bij (hoewel ook zij Antwerpen aandeed). Vanzelfsprekend wil ik met je mee, al was het maar om plaats te nemen op Haddocks terrasje of de neus tegen het Chinese parasolletje te drukken! Alleen is er een ondoenlijk loopbruggetje tussen willen en kunnen. De reis is immers nog niet volbracht, de Tsjoek-Tsjoek van de Karpaten is nog geen Fyra. En zoals Kuifje zal beamen: het is veel veiliger om niet uit een rijdende trein te springen.

Maarten: Wat een grote woorden! Ik had in beide gevallen het zwaard slechts vervangen door de ironie. Wat Kuifje in Rotterdam betreft: dan toch louter voor de voorplaten. Het binnenwerk is een grafische ramp - hoewel ik in het laatste deeltje* wel weer genieten kan van een Har Brok en een Ernst Pommerel en hun klassieke worsteling met de Mecanorma®-wrijfletter:


*) De Klare Lijn: Een voorlopige en globale inventaris (sic!) van striptekenaars die men zou kunnen ordenen onder de school van Hergé.

René S: Wat een fijn kavel! Hulde. Voor meer achtergrond, zie pijl:


We zien een origineel werk van Antoine Mortier, een van de eerste abstracte expressionisten én een introverte eenzaat. Beetje ondergewaardeerd, en dus: goed betaalbaar. Zijn schilderijen zijn schaars op de markt. Maar schetsen gaan vaak, voor een paar honderd euro, onder de hamer. En voor de prijs van dit flagrante suikerwerkje, kun je zomaar zes (6) prettig grauwe gouaches van Antoine aan de wand hangen.

maandag 28 januari 2013

Stapel



‘Zeg me wat er in deze envelop zit en je hoeft je werkkamer niet uit te mesten.’
‘Een boek,’ probeerde ik zwakjes.
‘Titel?’ vroeg S. hardvochtig.

Ooit had de opvatting postgevat dat dit een prettige manier van doen was: een boek bestellen en ’m pas uit de verpakking grissen op het moment dat er ook echt een paar leesuurtjes voor zijn ingeruimd.
Maar mijn vriendin had geen ongelijk. De bergen opgeschort leesplezier waren me boven het hoofd gegroeid. Ik sleet de zondagmiddag in mijn werkkamer en peuterde geduldig boekwerkjes uit luchtkussenenveloppen en schokbestendige postdozen. Van sommige titels wist ik niet meer dát ik ze besteld had (Céline, Hergé et l’affaire Haddock?), van andere waaróm ik er welbeschouwd ooit belangstelling voor had gehad (The Biography of Dio Lewis? Wie was in hemelsnaam Dio Lewis?).
Bovenal wist ik niet waar ik ze moest laten.
‘Ik zie eigenlijk geen verschil,’ gromde S. aan het begin van de avond, met een scheef oog op de uitgeklede stapels op het bureau en op de vloer.

Och, wat is het leven anders dan een beetje schuiven en stapelen tussen twee eeuwigheden van duisternis?*

*) Vrij naar Nabokov

maandag 21 januari 2013

Ontreddering





Ik ontvlucht even de stad. Terug op maandag 28 januari.

woensdag 16 januari 2013

Lost in time



I.
Hergé op de werkvloer aan de Louizalaan, 1973. Vergeet het kunstige clipje bij de nieuwe single van David Bowie. Luister naar het druilerige Where Are We Now? met de blik op het gelaat van de Tekenaar.

En op 1.06: A man lost in time...

II.
Links aan de wand een doek van Michel Carrade - schilder die al een leven lang op zoek is naar het ‘galmen der kleuren’. Daar kun je navrant oud mee worden: Carrade viert binnenkort zijn 90ste verjaardag.

Georges heeft nogal conservatief geïnvesteerd in een oude Carrade, al in 1969 vond de schilder zich opnieuw uit en trok zijn lijnen recht:


III.

Als er bij dit werk iets galmt, is het toch vooral de herinnering aan de Supercolor-Tryphonar van Zonnebloem, in JUWELEN:


Wat we hier zien is een gestoorde Carrade. Of is het de kortsluiting in de kop van de verzamelaar die zichzelf aan het verliezen is in de tijd?

maandag 14 januari 2013

Gimmick


Och, en dan pers je zo’n kwezel op de plank en zul je zien dat de weerzin het weer eens wint van de geilheid van gisteren. Je haat haar, de hautaine slet, maar je haat de Ander nog zoveel meer. En de gedachte dat de Ander haar bezit, is een ondraaglijk misnoegen.

Gerrit Komrij over ‘de kwellingen inzake het verzamelen van bibliofiele, gelimiteerde, genummerde, gesigneerde en anderszins onbereikbare uitgaven’.

Olivier Coutau Bégarie legt 2 februari deze exclusieve courtisane onder de hamer:


De édition universelle van CONGO, uit 1949. Promotionele uitgave voor het buitenland, zonder titelvermelding en met lege tekstballonnen. Daarom ook wel, heel koket, aangeduid als de édition avant la lettre. Volgens de uitgever zijn er niet meer dan tien van gemaakt. Richtprijs een schunnige 25.000 - 35.000 euro. Piasa tikte in mei 2010 nog een exemplaar af op bijna € 48.000 (inclusief opgeld).

De haat voor de Ander moet aan eindeloosheid grenzen als je voor zo’n gimmick een halve ton wenst neer te tellen.


Morgen: Kaproen!

donderdag 10 januari 2013

Onzalig


Mail van Scudder die bij de ‘dichte begroeiing’ van de naakten van Wesselmann mijmert over de teloorgang van het volle bos. Weemoedig verwijst hij naar l’Origine du Monde van Gustave Courbet:


Onderwijl vroeg ik me af wat de jonge Georges eigenlijk aantrof, toen hij zijn vrouw naakt portretteerde:


Hield de tekenaar zich hier in of was Germaine haar tijd ver vooruit?
Correct is natuurlijk een heel andere vraag: hoe fatsoenlijk is het nog om in de ene maand te speculeren over de geur van Hergé en de volgende maand de schoot van zijn vrouw te beproeven?

Haastige terugkeer naar het rechte pad!

De naaktschildering van Germaine dateert uit 1933, het jaar waarin CIGARES verscheen in Le Petit Vingtième. De begeleidende omslagen van Hergé behoren tot het verleidelijkste dat hij heeft gemaakt. Bloedmooi, en een enkele keer bloedrood:



Een onheilspellend profetisch steunkleurtje in dat onzalige jaar.

dinsdag 8 januari 2013

Hete tranen



Verkleedpartij van Hergé op het Vossenplein/Place Jeu de Balle. Vergeten was ik hoeveel mazzel je op die vlooienmarkt als bibliofiel (nog steeds) kunt hebben - en hoe schrijnend achteloos de handelaren hun waar er laten verregenen. Ik redde Roland Bergelès’ Sous le casque blanc nipt van de verdrinkingsdood, maar het prachtige, bijna tachtig jaar oude La secte secrète des Thugs van kolonel James L. Sleeman was al een hopeloos waterlijk. Toen ik nota bene de verzopen Tom Wesselmann-catalogus van de Knokkense Samuel Van Hoegaerden-gallery uit een doos hengelde, plengde ik bijna hete tranen.


Links Hergé, die zich onvermoeibaar in alweer een ander pakje heeft gehesen. Rechtsboven hem: een Wesselmann uit de private collectie van de tekenaar. Het is een nogal braaf werkje: Wesselmanns naakten zijn nou juist vooral zo leuk door de nostalgisch dichte begroeiing:


Maar voor Georges Remi alias Nieuwsgierige Vos lag het er misschien iets te dik bovenop.


Donderdag verder

maandag 7 januari 2013

Rusteloos


Was het de regen of de rusteloosheid die me alsnog naar een buitenlands verzetje deed verlangen? Volgens S. staat mijn kont op restless legs en ze weigerde de feestdagen elders door te brengen: ‘Ontspan je nou gewoon eens.’
Koud 48 uur later was ze mijn gepruttel moe en ging ze weifelend akkoord met drie dagen Brussel. Er scheen een bleek zonnetje, maar de boeken op het Vossenplein waren druipnat. Afgeschermd onder een jaargang Science et Vie vond ik een zestig jaar oude editie van Sous le casque blanc, geïllustreerd door Emmanuel Jodelet en met een Zaïrees rijbewijs als boekenlegger.


Let op het omslag, in Frankrijk noemen ze dat een ‘mise en scène très emblématique’. Voorop de grimmige (dat mondje!) blanke die een hagelwitte tropenhelm draagt, gevolgd door een onbekommerde zwarte met een kist op zijn hoofd. Het leek me een zinnebeeldige aanvulling voor het Congo-plankje.

vrijdag 21 december 2012

Come fly with me



Kees Kousemaker (links) tijdens de Zesde Dag van het Beeldverhaal in Zaltbommel, 7 september 1974.
Rechts: Archibald Haddock. Overleefde 55 jaar geleden de vliegramp met de KH-OZD, onderweg naar Beiroet. Midden: Fred Julsing. Overleefde vandaag precies twintig jaar geleden de vliegramp met de PH-MBN, onderweg naar Faro. ‘Ik had dat voor geen geld in de wereld willen missen,’ verklaarde de tekenaar een dag later tegen journalisten.

Desalniettemin vier ik de feestdagen dit jaar veilig in huiselijke kring. Verder op 7 januari 2013. Ik wens u, beste A la recherche-lezer, een behouden jaarwisseling.

woensdag 19 december 2012

De geur van de roem (3)



Links: Martin ‘Working in God’s Factory’ Lodewijk, rechts: Georges ‘The Thrill is Gone’ Remi.

Spoeden we ons naar de arena voor ronde 3 in het schunnige spektakelstuk Hergé puait-il? In een elektronische missive (d.d. 17 december 2012, 15:20 uur) verbaast Martin Lodewijk zich erover dat Hergé zich met alles bezighield (‘berouw en zonde, zaken, vrouwen’), maar ondanks zijn miljonairschap ‘niet met de tandarts’:

Ik heb Hergé eenmaal ontmoet. Samen met Jan Kruis op bezoek in het Kuifje-building, in 1963 of ’64. Ik ging mee als vertaler, iets wat nauwelijks nodig bleek te zijn omdat Hergé zich redelijk verstaanbaar kon maken in het Marols. We hebben een uurtje aan zijn bureau gezeten en Jan bood de strip ‘Gregor’ aan. Greg (die toen net redacteur was) stak nog even zijn hoofd naar binnen, maar vond er niks aan. Hij had het niet zelf geschreven.
Maar de geestelijk vader van Kuifje was zeer geporteerd van Jan’s Angelsaksische (dixit Hergé) humor en Jan ging met een contract naar huis.

Maar Hergé stonk niet!! En dat zou ik gemerkt hebben want ik herinner me uit mijn reclametijd wel meer voor bureaus gezeten te hebben waar je langzaam steeds verder vanaf schoof. Uitnodigingen voor etentjes zelfs afgeslagen. En inderdaad, het enige wat de geur in die tijden enigszins verborg was de alomtegenwoordige tabakswalm.
Hergé stonk niet.
Voor close-ups moet je bij Fanny zijn.

dinsdag 18 december 2012

Beeldrecht



Werkje van de Roemeense beeldhouwer Demetre Chiparus, gefotografeerd door A la recherche-lezer Steven Brys.

Brandende kwestie: valt een schaduw onder het beeldrecht?

maandag 17 december 2012

Natte hond


In bed gebleven met een ontstoken kniegewricht - vingerwijzing naar de eigen, imminente aftakeling.
‘Misschien kan meneer nog even zijn uitvaartwensen vastleggen?’ mopperde S. terwijl ze een extra kussen achter mijn rug zette.
Korzelig wierp ik me op ‘Gevaarlijke vrouwen’, bundel met portretten van pittige dames in terroristische organisaties. Maar zelfs jeugdheld Ulrike Meinhof hield me ten slotte niet weg van de tablet. Er was een berichtje van Joost Pollmann die voorstelde om na het geluid in de Kuifje-albums en de geur van Hergé af te ronden met de tastzin:

Hoe voelt de huid van Kuifje? Als plasticine? Als ongebakken deeg? Als perzik?

Daar zijn we snel klaar mee. Als traagschuim natuurlijk.

Opwindender was de mail van Scudder die filosofeerde over het typische fenomeen van de Studio (Toonder, Hergé, Vandersteen):

Hoe is het toch mogelijk dat een grote & goede striptekenaar eerst besluit zijn werkzaamheden te verlichten door de samenwerking met anderen in de vorm van een Studio te gieten, en vervolgens in interviews ontkent dat zijn medewerkers een wezenlijke bijdrage leveren? Wat dat betreft springt Vandersteen er op een positieve manier uit. Hij heeft blijkbaar op enig moment besloten om ‘redelijk eerlijk’ er voor uit te komen dat hij nog maar voor een beperkt deel van het resultaat verantwoordelijk was. Wat ik van het rijtje Hergé, Toonder en Vandersteen NIET weet is: in welke mate bleef ‘de meester’ nog verantwoordelijk voor bepaalde onderdelen van het scheppingsproces?

Volgt een intrigerend, op Hergé toegespitst schema waarin processtappen (hoofdlijn scenario tot inkleuring en teksten) gesplitst zijn naar het aandeel van de hoofdauteur en het belang van die onderdelen subjectief wordt ingeschat. Dat leidt, letterlijk, tot een afgewogen conclusie:

Doordat het gewicht van het scenario en de schetsen groot is, blijft aan het einde van zijn carrière het aandeel van Hergé in het eindproduct toch op 66% staan!

Er school een duizelingwekkende diepte in het strak afgemeten onderzoek van ‘modellenman’ Scudder, iets waar mijn eigen, recente olfactorische enquête maar bleekjes bij afstak. Juist toen ik weg dreigde te zakken in sombere overpeinzingen, bracht S. een kopje thee. Ze snoof en zette de balkondeuren op een kier.
‘Je ruikt naar natte hond,’ zei ze welgemutst.

vrijdag 14 december 2012

De geur van de roem (2)


Vervolgen we onze navorsingen in de olfactorische kwestie-Hergé. Ofwel: hing er rond de Tekenaar een onaangenaam luchtje?

A la recherche-lezer Mike van der Veer maakt alvast korte metten met de analyse van mijn tandarts:

‘Een donkere tand veroorzaakt op zich geen foetor exore. Deze verkleuring kan zijn ontstaan door bijvoorbeeld trauma. De tand wordt enigszins geluxeerd, resulterend in het afsterven van de inhoud van het element, in concreto de pulpa. Uit het aanwezige bloed komt ijzer vrij dat in de structuur van de tand trekt en deze verkleurt.
Hergé hechtte kennelijk minder waarde aan zijn gebit, de Belgen bezoeken sowieso hun tandarts minder vaak dan de Nederlanders, die gewend zijn aan het saneringbewijs uit de tijd van de ziekenfondsen.
Een onaangename lucht uit de mond is meestal het resultaat van ontstoken en/of terugtrekkend tandvlees. Ook kan de tong met haar ruwe oppervlak rieken.’


Ja. En toch. De gefocuste kijker ziet bij Hergé méér dan enkel de simpele verkleuring waardoor bijvoorbeeld deze heer getroffen is:



Ik heb de maker van het interview uit 1971, Wim Noordhoek, maar eens aangeschreven. Riekte Hergé?
Noordhoek:

‘Ik heb daar geen herinneringen aan. We zullen allebei naar tabak hebben geroken. Ik rookte shag, Hergé rookte filters. Het was een keurige Brusselse heer die ook wat Nederlands sprak. Hij vertelde dat hij zijn tekenpen bijwerkte ‘met een bijl’, maar hij bedoelde een vijl. Na afloop gingen we eten in een Chinees restaurant achter zijn kantoor. Het werd ingeleid als iets heel bijzonders, maar op de kaart stond gewoon de Chinese prak zoals je die bij ons overal ziet. Dat zei ik natuurlijk niet.’

In 1977 gingen Joost Swarte en graficus Piet Schreuders langs bij Hergé aan de Louizalaan. Schreuders herinnert zich desgevraagd een geurvlag ‘van aftershave of lotion’ maar durft er zijn handen niet voor in het vuur te steken. En Swarte? Die geeft vooralsnog niet thuis.

(Wordt vervolgd)

woensdag 12 december 2012

Voort! Immer voort! (2)


IV.



Oktober 1957. Familyman Marten Toonder rijdt paardje met zijn (aangenomen) dochtertjes Marilou en Jeannette. Op de achtergrond schatert zijn vrouw Phiny. Maar niet voor lang...
Phiny: ‘Marten was meestal niet vooruit te branden. Hij wilde niets liever dan de hele dag met de kinderen spelen. Vaak moest ik hem echt naar zijn bureau slépen.’

V.
Nou ja. Toonder reserveerde alleen de zaterdagavond voor verstrooiing met de familie. Zijn biografie is de facto een kroniek van Mannen Die Zich Uit De Naad Werken. Het gros voor een appel en een ei en een onheuse bejegening.
Het orgelpunt in buitenissige toewijding levert Lo Hartog van Banda. Elke werkdag ploetert hij, in de studio in Amsterdam, tot diep in de nacht door, waarna hij een slaapzak onder zijn bureau uitrolt en voldaan inslaapt.
‘Zijn vrouw Gerda en zijn kinderen vonden de situatie niet aangenaam’, schrijft biograaf Hazeu onderkoeld.

VI.
De stekeligste klanken komen van deze kranige heer die ‘zo’n twintig, dertig jaar met die firma’ te maken heeft gehad:


Gerrit Stapel: ‘Ik heb veel nagedacht over wat Marten Toonder nou eigenlijk was, en ik ben tot de conclusie gekomen dat hij schrijvers en tekenaars hield, zoals een bioloog proefdieren houdt. En ongeveer met dezelfde motieven, daar ben ik van overtuigd.’


Vrijdag: nieuwe feiten in de Geurkwestie Hergé

dinsdag 11 december 2012

Voort! Immer voort! (1)


I.
Twee dagen op Terschelling bij S. die zich op het eiland heeft teruggetrokken om een herschreven filmscript te herschrijven.
‘Ik heb geen tijd voor je hoor’, had ze koeltjes gezegd.
Die waarschuwing vooraf was geen beletsel voor een geslaagd weekend. Ik trok me terug in standpaviljoen De Walvis, verwarmde mijn kille gemoed met Glühwein en zette - eindelijk - mijn tanden in de biografie van Marten Toonder.

II.
Er schort iets aan dit door Wim Hazeu gereconstrueerde levensverhaal - en om daar een vinger achter te krijgen, moet je eigenlijk de Hergé-biografie van Pierre Assouline herlezen. Assouline maakt de wordingsgeschiedenis van Hergé als tekenaar aannemelijk: de lezer voelt de pijn van de schepping. Maar Hazeu lijkt zich niet goed raad te weten met de tekenaar Toonder. Hij is het. Punt. De jonge Marten tekent zijn eerste, betaalde gagstripje (Tobias), hij tekent De vrolijke en griezelige avonturen van Bram Ibrahim en hij tekent Thijs IJs. De biograaf noteert het als een vlijtige boekhouder (en vanzelfsprekend heeft hij ook de bijbehorende honoraria boven water gehaald). Mij bekroop het gevoel dat Hazeu zich pas op zijn gemak begint te voelen als de laatste Bommel-aflevering is verschenen. Gelukkig, geen plaatjes meer! Toonder begint aan zijn najaren (‘nadagen’ zijn bij zulke leeftijden niet van toepassing) en het uiteindelijke aftakelingsproces wordt overtuigender beschreven dan het scheppingsproces.

III.
Voordien lijkt de biograaf vooral op te leven als hij mag uitweiden over de nevenpersonages en neigt zijn boek naar een biografie van de Toonder Studio’s. Mooi is het portret van Hans Kresse* die daadwerkelijk psychisch overspannen wordt van de werkdruk - en hij is de enige niet. Bij Marten wordt gewerkt indachtig de woorden van zijn goede vader: ‘Vrije tijd is het begin en het einde van iedere beschaving’. De lijfspreuk van de striptekenaar is hier: ‘Voort! Immer voort!’.

(Morgen verder)


*) Kresse stapte op in 1953. Hij was teleurgesteld over een ‘gluiperig artikel’ in De Tijd waarin opgemerkt werd dat zijn Eric de Noorman uit de (teken)pen kwam van Toonder. Die beweert vele jaren later met strak gezicht bij Sonja Barend dat hij alle Bommelstrips geheel alleen tekent:



Vileine cartoon van medewerker Ben van ’t Klooster, voor het vriendenboek ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Marten Toonder. De tekening werd niet opgenomen.

woensdag 5 december 2012

De geur van de roem


Stonk Hergé?
De A la Recherche-lezer die deze vraag ongepast vindt, kan maar beter niet verder lezen. En toch… Allicht dat de kwestie profaan is, maar haar aanzwengelen is óók opportuun. We hebben ons immers al eens verdiept in de steenpuisten van Onze Held.
Ik kom erop omdat ik voor een eerder blog dit curieuze filmpje op Youtube bekeek:



VPRO-verslaggever Wim Noordhoek interviewt Hergé en opent het gesprek met een nogal onverwachte waarneming:



‘Vindt u?’ vraagt de Tekenaar verrast. Hij kijkt een fractie van een seconde afwijzend en toont ons dan een brede lach:



Dat wil zeggen: hij gunt ons zonder schaamte een blik op zijn Zwarte Rotsen.

Het is 1971 en de miljonair Hergé heeft overduidelijk nog geen stuiver uitgegeven aan gebitssanering. Dit is de wijze waarop hij zich (in galeries, op televisie) aan de buitenwereld presenteert.
‘Mán, dat moet geroken hebben’, merkt de terloops meekijkende S. droogjes op.

Is dat zo?

Dat vraagstuk legde ik, met beeldmateriaal, voor aan - en waarom ook niet? - mijn tandarts. Zijn antwoord was verrassend weloverwogen en plaats ik hier in zijn geheel:

“De denkfout die je maakt, is dat je meent dat we in retrospectief kunnen beweren dat iets of iemand stonk. Olfactorisch gezien zaten we in de jaren zeventig in een transitiefase. Als je vanuit dit heden terug zou keren naar die tijd, word je hartstikke beroerd van alle geuren die je nu dwingend als stank zou ervaren. Mijn vader heeft twintig jaar gerookt op zijn tandartspraktijk, en zijn assistente rookte ook. Het moet er blauw hebben gestaan, maar ik heb daar geen enkele herinnering aan. Het was normaal, het viel me als kind gewoon niet op. Ik ging twee keer per week onder de douche en dat gold ook, voor zover ik weet, voor mijn ouders. Naar de obsessieve maatstaven van nu moet iedereen toen geroken hebben. Maar als tijdreiziger zou je, denk ik, vooral concluderen dat elk luchtje in die jaren verbloemd werd door de overal aanwezige geur van sigaretten. Dat geldt ook voor die slechte snijtanden van jouw tekenaar. De geurvlag daarvan is evident en zou in onze context als (zeer) onaangenaam worden beschouwd. Veertig jaar geleden werd het, daar ben ik van overtuigd, niet als probleem ervaren omdat het domweg niet werd waargenomen.”

‘Maar als ík Fanny was geweest…’ zegt S. betekenisvol.


Dinsdag weer verder

dinsdag 4 december 2012

Jeugdtrauma



Aan Zwarte Piet vroeg ik het Congo-album 
genummerd en gesigneerd 
Van Sint kreeg ik een… sinaasappel!
Voorshands zijn we gebrouilleerd

maandag 3 december 2012

Afgetakeld


Onderwijl worstelde ik met mijn onvermogen om de biografie van Marten Toonder ook daadwerkelijk te lézen. Angst was weer eens de hartenklop van de onmacht. Ik verstijfde bij het vooruitzicht van de Minutieus Beschreven Aftakeling. Eenmaal de vijftig gepasseerd zijn levensbeschrijvingen met bruuske slotscènes beter verteerbaar (‘Tot straks’, zei Phiny, en ze voelde zich niet helemaal gerust. Drie kwartier later liep Marten, verzonken in zijn denkraam, onder een vrachtwagen van – o ironie! – de firma Steinhacker. Hij was op slag dood).


De aan de dood ontsnapte D. zond me ‘Het Jacobs Teken’, getekende biografie van Edgar P. Snelle blik op de slotpagina’s. Over Jacobs’ oude dag in Bois-des-Pauvres valt veel erbarmelijks te vertellen, maar als tekenaar moet je dat eigenlijk niet willen. Ik stel me zo voor dat je de eenzaamheid en het verlangen naar het einde niet beter kunt vangen dan in een paar tekstloze platen. Kans voor open doel: bij de breedsprakige Edgar is dan alle taal verdwenen. Maar de auteurs maken er een pathetische exercitie van, met veel hardop uitgesproken zelfbeklag. Zonde.