maandag 31 augustus 2020

Een nieuwe poging



Je was kind en alles was er, weet je nog,

bijna niemand was dood en je was zo klein

als de wereld om je heen, drie straten en een schoolplein,

de geheime plek in de bosrand, jouw boom, het parkje

met de groene schaduwen achter de heg, alles was er

en het zou er altijd zijn want niemand kwam op het idee

daar iets aan te veranderen en je weet ook nu niet meer

hoe alle dingen gingen schuiven, hoe struiken of jurkjes

zich openden als een theaterdoek met uitzicht op iets

wat je nog niet zien mocht, iets wat eigenlijk voor later was,

misschien was er een kijkgat in de schutting – en dat je jezelf,

geen kind meer, aan de andere kant van de schutting terugvond

en je afvroeg hoe je daar gekomen was, maar vooral

waar de wens dat alles steeds weer anders moest vandaan kwam,

en dat je nu pas begrijpt dat wat je doet alleen een poging is

om die dingen terug te veranderen naar de tijd

dat alles er altijd was, zoals het was toen je nog kind was,

alles was er, weet je nog, bijna niemand was dood

en je was zo klein als de wereld om je heen.



Achter de schutting, van Ingmar Heytze. Uit: Elders in de wereld (2008).


woensdag 29 juli 2020

Een vale blauwe schijn



De 86-jarige Georges Remi, een van de meest gerespecteerde Belgische abstracte schilders en (in 1945) oprichter van de toonaangevende La Jeune Peinture Belge-groep, wijst naar zijn Composition sans titre, uit 1929. Deze vroege schepping, die van beslissende invloed was op leven en werk van Joan Miró, is onlangs door de Fondation Kieckens geschonken aan het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Daar krijgt het, zo verneem ik, een plek tegenover La Buveuse d’absinthe van Léon Spilliaert.

De slungelachtige Remi gaat hier vanaf september weer op de snijtafel. Over De Absintdrinkster moet ik nog wel iets kwijt. Kijk even mee...


...en zie de verschrikte, holle ogen, maar let vooral op de vale blauwe schijn. Als een geestesgesteldheid een kleur kan hebben, dan is het dit wat er de voorbije maanden in mij schemerde.

‘Le bleu est une couleur chaude,’ zei Georges diverse malen tegen zijn Zwitserse psychiater Franz Niklaus Riklin. Die nam het voor zoete koek aan en gebruikte de bezwering zelfs als titel voor zijn autobiografie:


Zelf weet ik inmiddels wel beter. De kunstenaar kon ontzettend goed liegen.

Tot september!

vrijdag 24 juli 2020

‘Wat aangevangen, donder, hel en hagel?’



Et moi, je suis encore là. Ik ben er nog, beste Perdu-lezer, en het verlangen is groot er, net als vorig jaar, verder geen woorden aan vuil te maken. De jonge Georges, alias Nieuwsgierige Vos, zou het beslist toejuichen (‘Een padvinder glimlacht en fluit onder alle omstandigheden’), maar in zijn kundigheid van ontveinzing kan ik de Tekenaar ditmaal onmogelijk volgen.

Dus.

Hoe gaat het?

Het gaat zozo. Sinds half januari ben ik incompleet (wat, besef ik nu, nogal een bekentenis is voor een verzamelaar). Van twee longen naar één. Operatie geslaagd, patiënt ontregeld. Aan die laconieke constatering klit een fors plak zelfmedelijden. In de lange nasleep van de ingreep liep ik zo vaak tegen beperkingen en grenzen op, dat het me zwaar viel nog een lichtpuntje te zien. Na bijna een half jaar begon de vrees veld te winnen dat de extreme vermoeidheid en de onverschilligheid niet tijdelijk waren. Om Haddock te citeren: ‘Wat aangevangen, donder, hel en hagel?’

Niettemin, de vertwijfeling heeft geen vrij spel meer. Sinds een zoveelste aanpassing van doses en combinatie van medicijnen, begin deze maand, lijkt er iets van een herstel in te zetten. Ik durf heel voorzichtig ergens op te hopen en zelfs een tikje naïef deze afspraak te maken: begin september verder met dit blog. Als vanouds en alsof er niets aan de hand is, omdat er waarachtig geen eind is aan Kuifje.

dinsdag 24 december 2019

Een verraderlijke slotvraag


Waar waren we? Bij niemand minder dan professor Faust die hier zojuist zijn ziel heeft verkocht aan de duivel:


Mephisto, als vertegenwoordiger van Lucifer, wijst vrolijk theatraal op het pact dat de professor met eigen bloed heeft ondertekend.

De verraderlijke slotvraag tijdens de jaarlijkse quizavond van de Vlaamse alliantie van extreme tintinologen luidde: wat heeft deze afbeelding te maken met de jonge Hergé?

Wel, vergeet het beeld, het gaat om een heel andere ondertekening, die van de fotograaf:


Julius Schär heeft een fotostudio op de Maria-Theresien-Strasse in Innsbruck. Enter de padvinder Georges Remi:


Het is vrijdag 15 september 1922, 14.25 uur en de jonge Georges alias Nieuwsgierige Vos poseert (rechts) tijdens een reisje met zijn scoutinggroep op de stoep van de barokke Maria-Theresian-Strasse in Innsbruck.

Voor de grootste attractie van deze plek moeten we even uitzoomen:


Reken maar dat de bergtoppen van de Noordketen indruk maken op een jochie van vijftien uit Brussel.

De rode cirkel geeft de plek aan waar hij ongeveer stond, in dit geval recht voor het gebouw (en schuin onder diens uithangbord) waar Julius Schär zijn fotostudio had:


Julius is op dat moment al bijna vijf jaar dood, de zaak is nu in handen van zijn vrouw Frieda, die er tevens zorgdraagt voor de opvoeding van hun zevenjarige dochtertje Herta.

Misschien heeft Georges na het poseren nog even omhoog geblikt en gezwaaid naar het kleine meisje dat met haar neus tegen het venster stond geplakt. Herta overleed begin dit jaar (17 februari 2019) op 103-jarige leeftijd. In de Wiener Zeitung haalde ze vorig jaar nog herinneringen op en sprak ze over het tragische overlijden van haar vader Julius.

Ook ik knijp er tussenuit, waarde PERDU-lezer, zij het slechts voor even. Ik wens u fijne feestdagen en bovenal een gezond 2020. Wees als Nieuwsgierige Vos: blijf kijken, blijf luisteren. Voor oogdruppels en oorspray kunt u tijdens mijn afwezigheid als vanouds contact opnemen met zuster Fanny, toestel 421.

donderdag 19 december 2019

De tragische ondergang van Popo Kabaka


D. nodigde me uit voor de jaarlijkse quizavond van de ETA, de Vlaamse alliantie van extreme tintinologen – een gezelschap waarin de grens tussen wijsheid en waanzin niet altijd even duidelijk is. Niettemin bereikte ik de halve finale, na het juist beantwoorden van de strikvraag over het praktijkadres van Armand Schovaers, de huisarts die Elisabeth Dufour hielp bevallen van de kleine Georges.

Spannend werd het in de voorlaatste ronde toen mijn opponent al halverwege het stellen van deze vraag op de knop drukte:

‘In de oorspronkelijke publicatie van OREILLE haalt onze jonge held een boek uit zijn thuisbibliotheek waarin hij meer hoopt te lezen over de Arumbaya’s. Noem…’

Naast mij klonk het razendsnelle antwoord: ‘Voyages aux Amériques van CH.J. Walkerss, met dubbel S, uitgeverij Graveau en jaar van uitgave 1853’.

Zelfgenoegzaam lachje. De armen gingen al omhoog. Maar het antwoord bleek niet correct, omdat de vraag heel anders luidde:

‘Noem het figuurnummer bij de afbeelding van de Arumbaya-indiaan in deze uitgave uit 1853 en geef exact aan wat hij in zijn linker- en in zijn rechterhand heeft.’

Kat-in-het-bakkie, natuurlijk, het goede antwoord popte meteen in me op. Figuurnummer 125. In de linkerhand een gifpijl. In de rechterhand een blaaspijp. Duh!


Helaas, in de finale ging ik alsnog onderuit toen we een volle minuut deze foto mochten bestuderen:


…waarna de vraag luidde:

‘Wat is de link tussen deze afbeelding en de jonge Hergé?’

Ik drukte als eerste en zweeg beschaamd toen ik besefte dat de Juwelenaria weliswaar te linken is aan dit beeld, maar als antwoord veel te simpel was en waarschijnlijk ook niet in verband te brengen met de jonge Hergé. Waarna mijn ook al jonge doch briljante opponent met een valse grijns ‘Oké boomer’ tegen me zei en het enige juiste antwoord probleemloos uit zijn mouw schudde.

Nu goed, de wonden zijn gelikt. De vraag die rest: bent u net zo slim als mijn opponent, waarde Perdu-lezer*?


*) Antwoorden vóór dinsdag 24 december naar tintinperdu@gmail.com

zaterdag 14 december 2019

‘Smile baby, life is fun’


Over Jean Libert, goede vriend van Hergé, zijn we nog niet uitgepraat. Hieronder poseert hij, uiterst links (datum onbekend), met o.a. de rokende en drinkende draadnagel Georges Remi:


Libert, een voormalige assistent-boekhouder van een grote bank in Brussel, ontpopte zich in de jaren dertig tot dichter en utopisch katholiek met een heilig geloof in de Voorzienigheid.

In zijn (onuitgegeven) memoires beschrijft hij hoe Hergé zijn neus ophaalt voor die ‘onverdedigbare levensvisie’. De vader van Kuifje zet zijn vriend weg als een ‘wilde mysticus’ die de menselijke wil verwaarloost ten voordele van het onvoorspelbare lot. ‘Je moet je leven zélf opbouwen, Jean.’

Ik was benieuwd naar de dichtkunst die voortvloeit uit zoiets als ‘utopisch katholicisme’ en stuitte op deze ode aan het najaar:


Gepubliceerd in Ad Interim, tijdschrift voor de letterkunde, op 15 april 1944. Dit was overigens een illegale verzetsuitgave. De publicatie van Liberts gedicht hierin is pikant: de auteur staat amper een jaar later voor de rechter, beschuldigd van collaboratie.

Qua utopisch temperament vallen de wellust en het genot, de zongestoofde vruchten en het armzalig vleesch me nogal tegen. Niettemin zullen dit terugkerende elementen zijn in een heel ander schrijfgenre waarnaar de Voorzienigheid Libert, na een lange gevangenisstraf, drijft:


Onder het pseudoniem* Paul Kenny ervaart de wilde mysticus van weleer het geluk in een minder gecompliceerde levensvisie: ‘Smile baby, life is fun’.

En omdat het lot hem ironisch is gezind, zal vele jaren later ook zijn vrijgevochten dochter de vruchten zongestoofd serveren:


Rechts: Anne Libert. Links: Otto de pruimenplukker.


*) Libert deelt het pseudoniem met landgenoot en marine-ingenieur Gaston Van den Panhuyse, met wie hij zich ook verbergt achter de pseudoniemen Jean-Gaston Vandel, Jack Murray, Rudy Martray en Graham Livandert.
Hier zijn de veelschrijvers (Van den Panhuyse rechts) in actie bij de bereiding van hun spionage-intriges en koude-oorlogsschotels:




dinsdag 10 december 2019

Ondertussen, in de vrouwengevangenis


I.
Zeg, wat hebben we hier?


Anne Libert in ‘Quartier de femmes’, onzedig drama over een vrouwengevangenis, uit begin jaren zeventig. Laten we zeggen: niet het soort film waaruit Jo Röpcke (Vlaanderen) of Bob Bouma (Nederland) fragmenten sprokkelden voor hun televisieprogramma’s.


II.
Ook de vader van Anne Libert zat ooit achter de tralies:


Tekening die Hergé voor zijn vastgezette vriend Jean Libert maakte. In de processie herkennen we Edgar P. Jacobs en Jacques Van Melkebeke.

Libert, dichter en voormalig medewerker van de Petit Vingtième, publiceerde tijdens de oorlog in Duitsgezinde bladen en werd, net als Hergé, opgepakt voor collaboratie. Hij werd tot tien jaar veroordeeld en kwam na tweeënhalf jaar weer op vrije voeten.

De tekening staat in het dagboek dat de vrouw van Jean tussen 6 december 1943 en 14 maart 1946 bijhield. Afgelopen weekeinde werd het voor zestig mille afgehamerd op een veiling in Parijs.


III.
In het fenomenale naslagwerk ‘Wie is wie in de wereld van Hergé’ lezen we dat Hergé zijn naar Frankrijk vertrokken vriend aanbood om ‘iets’ te gaan doen voor zijn Studios. Libert sloeg het aanbod af en ging, onder het pseudoniem Paul Kenny, misdaadromans schrijven. Dat linkt hem zomaar aan de beste ontwerper van boekomslagen die ons land heeft gekend:



IV.
In het geveilde dagboek staat tevens een brief die Hergé aan het dochtertje van Jean Libert richt. We krijgen een aardig inkijkje in zijn onnavolgbare sentimenten:

‘Je moeder vroeg me om iets voor je te tekenen in dit dagboekje. Ik had ook graag een paar woorden willen zeggen. Maar ik kan niet goed met de woorden omgaan. Ik zal je toch een paar dingen vertellen.

Ten eerste, dat ik van je hou. En dat ik van je vader en moeder hou, beide zijn zo rechtdoorzee, zo eenvoudig, zo dapper. Met de gevangenneming van je vader is je een monsterlijk onrecht aangedaan en op een dag, niet ver weg, zal ongetwijfeld iedereen erkennen dat het een monsterlijk onrecht wás. Je vader dacht dat hij zijn land kon dienen in moeilijke tijden. Sommigen begrepen het niet. Neem het ze niet kwalijk. Ze zijn allemaal gek. Bijna iedereen is nu gek, vergiftigd door haat.

Je vader weet heel goed dat hij niets heeft gedaan waarvoor hij zich moet schamen. Al zijn vrienden, zijn echte vrienden, kennen hem zoals hij werkelijk is. De vriendschap en achting die ze al voor hem koesterden, groeit nog steeds, door het prachtige voorbeeld van moed, waardigheid en sereniteit die je vader en je kleine moeder hen gaven.

En nu, genoeg gekletst, mijn kleine Annie. Ik neem mijn potlood, mijn penselen, mijn Chinese inkt en ik ga aan het werk.’



V.
De kleine Annie ontpopte zich tot actrice Anne in het rechtdoorzee genre van de seksploitatiefilm:


Wat je noemt een ironisch antwoord op het stijve padvindersproza waarmee haar leven begon.

Op Liberts CV staan kleurrijke filmtitels als ‘3 filles nues dans l’'île de Robinson’, ‘Le Journal intime d’une nymphomane’ en ‘La Kermesse érotique’. Die laatste werd voor de Nederlandse bioscopen opmerkelijk vrij vertaald als:


Bij de behandeling van Liberts ‘Les jeunes filles perverses’ slaat de weemoed naar de rode-oortjestheaters uit mijn jeugd venijnig toe:


Gieren om vrolijke seks… Heeft Hergé – de kraag van zijn regenjas hoog opgeslagen – ooit durven toegeven aan de verleiding van zijn petite Annie?

donderdag 5 december 2019

De terugkeer van de Grote Grijparm


Het toeval is vaak te toevallig om toeval te zijn. Maar sinds ik me had voorgenomen om op deze plek niet meer over uitvaarten te schrijven, ging de rouwpost aan ons huis voorbij. Tot de Grote Grijparm weer eens iemand uit ons leven plukte en ook mijn voornemen sneuvelde.

Omdat onze vriendin uitdrukkelijk had laten vastleggen dat ze geen sprekers wilde op haar begrafenis, luisterden we gisterochtend, met opgekropte emoties en samengeknepen billen, een verregaand ongemakkelijk half uur slechts naar de muziekstukken die ze had uitgekozen. Dit leek mij een ijdel misverstand: de uitvaartdienst is van de achterblijvers, niet van de overledene.

De ontlading kwam achteraf, bij de koffie en de condoleance. Zelden zo’n luidruchtige nazit meegemaakt, alsof we weer schoolkinderen waren die even niet onder toezicht stonden. Ik wilde graag geloven dat dit precies zo was gepland.

Plaatje!


Het strenge silhouet van Hergé, in een hemels studiolicht. De Tekenaar heeft nog iets minder dan dertig jaar te gaan – en hij is een bofkont. Aan een volgend tafeltje wacht iemand die zijn herfsttij zomers gaat inkleuren.

maandag 2 december 2019

Het lijden van de verzamelaar


Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.


Maar een uitgeblust kavel in december:




Nee.

woensdag 27 november 2019

Frequente weemoed



Het tekenwerk van Berserik en Van Dongen is weer vlekkeloos, maar het begint op te vallen dat Verbogt in elk nieuw album eigenlijk steeds hetzelfde verhaal vertelt.

maandag 25 november 2019

Hergé in moeilijkheden


Mille tonnerres de Brest, wat hebben we hier? Jonge, ongeduldige verzamelaars bij een zijingang van het Parijse veilinghuis Artcurial, belust om een bod uit te brengen op een door Hergé zelf nagetekend origineel uit ÉTOILE?


Nou nee*. Deze vijfendertig man, ‘gonflés de testostérone’ en uit alle hoeken van de wereld, staan in Brussel klaar voor een metro jam. Ik kende het begrip niet, want: oud en allang losgeweekt van de jeugd. Wel deed ik een poging het te snappen.

Het gedroomde objectief van een metro jam. Je glipt met z’n allen door een ondergronds deurtje. Je roept in een verlaten metrobuis heel hard ‘Goedendag Heer boekhandelaar!’ De bewaker schrikt zich een hoedje. Happening geslaagd.

Het echte objectief. Je glipt met z’n allen door een ondergronds deurtje. Beklad een metrorijtuig...


...en (zie het onaangename filmpje) intimideert de bewakers. Terloops breng je een duidelijk eerbetoon aan de geestelijk vader van Kuifje:


Overigens, een wat ongemakkelijk raket die Hergé in moeilijkheden brengt: alleen door een wonder komt het obese ding van de grond.

Dan gingen onze Hollandse spuitgasten dit najaar toch heel wat eleganter te werk:




*) Ook de derde poging, afgelopen zaterdag, om een gouache correctrice (lees: een overtreksel) uit ÉTOILE voor een paar ton af te hameren, liep op niets uit.
KLIK! voor een analyse van het echec, met onheilspellende kop (HERGÉ IN MOEILIJKHEDEN) en een uitsmijter die te denken geeft.

donderdag 21 november 2019

Hergé versus Vandersteen: wie deed het beter?


Links de Bruegel van het Beeldverhaal, rechts de Pius XII van de Negende Kunst:


Het Belgische stripspan vond elkaar gisteren op de BD et Illustration-veiling van Christie’s. De Vandersteen deed € 13.750, de Hergé werd afgetikt op € 394.000, inclusief opgeld. En toch kun je je afvragen wie beter presteerde.

Dertien van de vijftien Vandersteen-kavels vonden in Parijs een koper. Maar van de tien Hergé-kavels bleven zeven (7!) onverkocht – ontegenzeggelijk een belazerd resultaat.

Onder de achterblijvers deze chronische winkeldochter:


Kleurplaat voor Pacha-chicorei, uit 1935, waarop Hergé de stereotype kwibus die het koffiesurrogaat presenteert alvast gitzwart heeft ingekleurd.

Het Laatste Nieuws interviewde deze maand een Hergé-liefhebber...

die ontdekte dat op de veiling in Parijs de zeldzame originele tekening van Hergé te koop werd aangeboden. (…) “Ik had nooit gedacht dat ik die plaat nog eens zou zien opduiken.”

Kleine correctie: die plaat wás al opgedoken, bijna drie jaar geleden inmiddels – en hing toen (januari 2017) als koopwaar op de Brafa-beurs in Brussel.

Zie overigens eens hoe dom toch de chicorei wordt vermorst:


Vraag van de dag: baseerde Hergé dit grapje op deze ansichtkaart:


...of was het precies andersom?

maandag 18 november 2019

Het mysterie van het kropkader


Ik herlas ‘Isabelle en het monster’ van Jacques Tardi, wat geen straf bleek voor iemand met heimwee naar weemoed. Alleen al de namen van de bijpersonages: Esther Miltziek, Antoine Zborowsky, Stootbodem, Gortworst, professor Pezewever, Boris Kazemat*… Maar voor het onbevangen plezier uit het verloren en steeds verlangde stripparadijs was ik toch echt te oud.

Niettemin een erg sterke opening:



En een sterk, bloeddorstig vervolg waarin we de buitenwereld zien worstelen met de raadselachtige herkomst van het gevleugelde reptiel. Destijds viel het me niet op, maar de auteur moet behoorlijk valsspelen om het geheim voor de Parijzenaars zo lang mogelijk in stand te houden.

Op 4 november 1911 laat Tardi in het Natuurhistorisch Museum het gigantische pterodactylus-ei uitkomen. We moeten geloven dat pas op 17 (!) november de uitbraak wordt ontdekt:


…nota bene door een professor die het museumstuk kent ‘alsof ik het zelf gelegd heb’.

Die uitleg zegt ook veel over de rare spagaat waarin Tardi zich regelmatig bevindt. De tekenaar wil, met een knipoog naar de populaire krantenfeuilletons uit het begin van de vorige eeuw, verhalen vertellen vol onverwachte en ongeloofwaardige gebeurtenissen. Maar hij wil ook, ad absurdum, alles uitleggen en met elkaar verknopen. Dat leidt tot het soort kropkaders dat we ook uit een andere reeks kennen:


De taal drukt het beeld weg - Har Brok noemde dat ooit natuurlijk de grootste zonde die je in de Negende Kunst kunt begaan. Zeg maar zoals je in de literatuur voor het aan de laars lappen van het show, don’t tell-principe een rode kaart krijgt. Maar is het wel zo eenduidig?

Blader door een willekeurige roman en wijs meteen de kant-en-klare expositie aan. Dat gaat niet een-twee-drie lukken. Maar pak er een stripalbum bij en je legt er meteen de vinger op - omdat ook een overvolle tekstballon hoe dan ook nog steeds beeld is.

Overigens zet Tardi heel beeldend een voorlopige punt achter dit eerste avontuur van Isabelle Avondrood met een leesteken:


De jonge Hergé lustte daar - in een iets andere context - ook wel pap van. Maar daarover later meer.


*) Alsof je een blik werpt op het boreale boekenplankje van Thierry Baudet, merkte S. droogjes op.

donderdag 14 november 2019

De avonturen van Kuifje in de deuropening


Oude bekende aan de deur:


Origineel plus inkleuring van het omslag voor de ingenieuze prospectus ‘Bonjour, Monsieur le libraire! / Goedendag, Heer boekhandelaar’, gepubliceerd in 1947.

Let op die tas:


Die zit vol met albums. Als een scharrelaar die zijn boeken in eigen beheer uitgeeft, moet de arme Kuifje zijn avonturen zélf aan de man brengen - zie de complete aanbiedingsfolder hieronder:



Zondag 15 december gaat het setje (omslag + inkleuring) onder de hamer op een Millon-veiling in Brussel. Richtprijs € 50.000 – 70.000. De tekstballon op het origineel is leeg*, maar in de toelichting in de catalogus gaan als vanouds alle remmen los:

‘Hergé zette al zijn talent in en deze tekening wordt beschouwd als een van zijn reclamemeesterwerken. (…) Du grand art pour une pièce d’exception.’

Dat meesterschap stel ik niet ter discussie, maar het schuilt in dit geval wel in de afgeronde schepping. Buiten die samenhang resteert – hoe sfeervol ook de inkleuring is – een wat alledaags plaatje van een jonge reporter die, nou ja, een deur opent.

Als het meezit, heb je op dezelfde veiling voor minder dan de helft van de prijs dubbel zoveel opwinding met deze pittige dame:


Goedendag, Heer boekhandelaar, de originele entree van Isabelle Avondrood, in het PICAROS-jaar 1976:



Wordt vervolgd!


*) De vulling van de tekstballon (lees: de ‘originele lettering’) ging al in 2017 bij Artcurial onder de hamer…


…met op de keerzijde een opwindend archaïsche vertaling voor de achterkant van de Nederlandstalige flyer:


maandag 11 november 2019

High art versus low art



Toch ook wel kunstig hoe Le Lombard de negende kunst naar beneden haalt (‘en dan kun je op de foto nog niet eens zien dat de op Kuifje en Bobbie gerichte verlichting onheilspellend knippert’).


Met dank aan Rob van Essen. Foto: Lize Spit.