dinsdag 15 november 2016

Mooi rood is niet lelijk


Vallen ze mee of vallen ze tegen, de alternatieve SOVIET-albums waarin elke verwijzing naar het polariserende zwart-wit is weggepoetst? Vooropgesteld dat ik zeer gehecht ben aan een primaire pagina als deze…


…snap ik ook dat we verfijningen niet halsstarrig moeten bestrijden. Een aanpassing van de oorspronkelijke boekuitgave (als uitvloeisel van het veelbesproken Kuifje-pact) kan immers tegemoetkomen aan legitieme gevoeligheden.

Enfin, ik toon bovenstaande plaat (gepubliceerd op 9 januari 1930) niet voor niets. Onze jonge reporter, op de huid gezeten door Sovjet-agenten, zaait verwarring door het licht uit te doen en Hergé tekent dan, als cliffhanger, een gitzwart plaatje – een abstractie die hoe dan ook denken doet aan het iconische Zwart Vierkant van Kazimir Malevitsj. Hoe geef je daar in hemelsnaam kleur aan zonder die artistieke toespeling om zeep te helpen?

De keuze die de inkleurders maakten voor de Regenboogeditie van SOVIETS is in al haar eenvoud fenomenaal:


Het zwart van Zwart Vierkant is hier schijnbaar achteloos vervangen door het rood van Rood Vierkant (ook bekend onder de verrukkelijke titel die de kunstenaar er zélf aan gaf: Schilderkunstig realisme van een boerenvrouw in twee dimensies).
Mooi* gedaan!

Minder te spreken ben ik over de Mondriaan-editie van SOVIETS:


Je moet er maar opkomen om de ene grote abstracte kleurvakschilder te vervangen door de ander - en in de bijstelling van Zwart Vierkant valt dat beslist goed uit - maar het album als geheel is door het overheersende neoplasticisme volstrekt onleesbaar geworden.

Over de derde en laatste alternatieve SOVIETS-versie, de zogenaamde Édition sans maquillage, kan ik kort zijn: ik herkende er meteen mijn vader in.


*) Van belang is te weten dat het Russische bijvoeglijk naamwoord красный (krasnyj, krasnaja) vroeger naast ‘rood’ ook ‘mooi’ betekende.

zondag 13 november 2016

De ontknoping van het Jabiru-mysterie


I.
Beleefde de jonge Hergé in 1931 zijn luchtdoop in deze Farman F.120 Jabiru…:


…zoals ik vorige week beweerde? Een trouwe A la recherche-lezer tikte me op de vingers: het classificeren van vliegmachines luistert even nauw als een albumclassificatie!

‘Uw foto toont niet de F.120, maar de F.121, ook bekend als de F-3X. Zo’n toestel vloog eind jaren twintig op de lijn Parijs-Amsterdam v.v. en maakte dan een tussenlanding op de grasmat van luchthaven Haren-Evere bij Brussel. Of Hergé met dit type Jabiru naar Parijs is gevlogen, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen.’

II.
Omdat ik me graag laat afleiden door feiten (en omdat ik het op de heupen kreeg van het loodgrijze zwerk), zocht ik contact met Frans Van Humbeek – een Vlaamse luchtvaartjournalist en luchthavenspecialist die rap aanvullende details op tafel legde.

Van Humbeek: ‘De F.121 was een tweemotorig toestel van de Lignes Aériennes Farman, waarbij u weten moet dat dit soort bedrijven in die tijd zowel constructeur als luchtvaartmaatschappij waren. Er waren, vanaf 1926, vier F.121’s in gebruik op de Parijs-Brussel-Amsterdam-route.’

De biograaf van Hergé spreekt over een capaciteit van ‘slechts tien passagiers’…
‘Dat klopt niet. In de gesloten cabine vooraan zaten drie passagiers achter de ronde neus. In de achterste cabine was plaats voor zes moedige reizigers, allen op rieten zeteltjes.’



Waar is de cockpit?!
‘De crew zat in de buitenlucht, dat vonden ze toen een voorwaarde om goed te vliegen. Voeling houden met de omgeving heet dat.’



Dus met deze Jabiru vloog Hergé naar Parijs?
‘Dat kan alleen als de F.121 tot in 1931 heeft gevlogen. Maar volgens mij is dat niet het geval.’

Zat hij dan überhaupt wel in een Jabiru?
‘Jawel. Wat u óók moet weten, is dat in 1925 de bouw van de eenmotorige Farman F.170 begon. En die kreeg ook de koosnaam Jabiru. Ik ga niet stilstaan bij de verschillende versies F.170bis en F.171, maar laat ons zeggen dat de iets kleinere versie van de F.121 toch acht passagiers kon vervoeren. De rieten zeteltjes zullen misschien wat korter bij elkaar hebben gestaan, kostenbesparing avant la lettre. Hier ziet u de F.171-versie...


...gefotografeerd op de luchthaven van Haren/Evere, dus daar waar Hergé vermoedelijk de lijnvlucht met een Farman F.170 Jabiru genomen heeft naar Paris/Le Bourget.’

Aparte vormgeving!
‘Och, ook de F.170 heeft geen schoonheidsprijzen gewonnen. In elk geval bleven verschillende van deze Jabirus tot in 1933 vliegen voor de Farmanlijn, tot de oprichting van Air France in augustus 1933. Air France heeft dit type daarna snel afgeschreven.’

III.
Dienstregeling van de KLM en de Farmanlijn, gepubliceerd in het Algemeen Handelsblad van 23 februari 1931:


We kunnen eruit opmaken dat de Jabiru ook tussenlandingen maakte in Rotterdam en Antwerpen. En dat Hergé (in gezelschap van oude vriend en collega Paul Jamin alias JAM) voor het eerst van zijn leven het luchtruim koos des namiddags om kwart voor vier.

Welaan, wie zei daar dat we praktisch en rationeel aan het eind zijn gekomen van alle literatuur over Hergé? En er dient zich alweer een nieuwe kwestie aan: wat moest de Tekenaar grosso modo betalen voor zijn enkele reis* naar Parijs? Maar die navorsing, waarde A la recherche-lezer, laat ik graag aan u over. Uw antwoord wacht een warm onthaal op tintinperdu@gmail.com


*) Hij keerde terug met de trein.

donderdag 10 november 2016

Er zijn belangrijker kwesties


Rapsodisch telefoontje uit New York. De vriendin van wijlen J. (gesneuveld in het eerste Obama-jaar – de tijd eelt alle wonden*) verontschuldigt zich voor de presidentskeuze van haar land. Dat mag natuurlijk, maar buitenissig blijft het, zo’n overzees verzoek om verschoning. En bovendien: er zijn belangrijker kwesties! Dit schetsje van Hergé bijvoorbeeld, uit 1931:


‘Opgedragen aan een medewerker van de Coeurs vaillants,’ noteerde ik maandag summier. Het gaat om Pierre Ollier. Over zijn achtergrond speurde ik vluchtig en tevergeefs het internet af, terwijl ik het antwoord keurig geboekstaafd in mijn kast kon vinden:


Fragment uit ‘Wie is wie in de wereld van Hergé’. De samenstellers melden hier overigens abusievelijk dat Hergé zijn opdracht niet op een los velletje tekende, maar in het CONGO-album. Kleine complicatie: dat was toen nog niet verschenen. Onze held fotografeerde omstreeks die tijd nog giraffes (en blies een neushoorn op). Pas in de namiddag van 9 juli werd hij groots onthaald in Brussel…


… waar zijn koloniale avonturen ook voor het eerst in boekvorm werden aangeboden. Enfin, een vergeeflijk foutje in een naslagwerk dat verder niet genoeg geprezen kan worden!


*) Dixit Johan Anthierens, ook alweer zestien jaar defect.

dinsdag 8 november 2016

Ik zeg: niet doen !


Bon, welk veilinghuis heeft vandaag zijn catalogus online gezet? Het is… Artcurial met een afgestampte BD-veiling (KLIK!) en met de najaarseditie van het Univers du créateur de Tintin-circus (KLIK!).

Die laatste is beslist iets spannender dan de voorjaarseditie (hoewel ik nog steeds niet opgewonden raak van de zoetsappige Cartes neige-originelen).

In eerste instantie valt vooral de overlap met de Christie’s-veiling (beiden op 19 november in Parijs) op:


Ook bij Artcurial een non-descript plaatje uit TEMPLE DU SOLEIL, met eenzelfde richtprijs (€ 17.000), maar met iets meer waar voor het geld.

Aanbod van Christie’s: 1 Kapitein + 1 tekstballon.

Aanbod van Artcurial: 1 Kapitein + 1 Kuifje + 2 tekstballonnen + 1 bijpassend lijstje:


Ook in de hogere prijscategorie zien we een overlap.

Aanbod van Christie’s: MAAN-origineel zónder de hoofdrolspelers…


…met een richtprijs van € 350.000 – 400.000.

Aanbod van Artcurial: MAAN-origineel mét de hoofdrolspelers…


…met een richtprijs van € 700.00 – 900.000.

Veel lyrische verkooppraat bij deze laatste plaat (magnifique, mythique, pièce de musée), maar bij Artcurial vertellen ze er niet bij dat het om een herschikte albumpagina gaat. Let eens op de uitzonderlijk fraaie compositie van het Weekblad-origineel:


…en vergelijk die met het knip- en plakwerk dat nu onder de hamer gaat.

Negen ton? Ik zeg: niet doen!

maandag 7 november 2016

Prangende vingers & vreemde vogels


Tikkeltje weggemoffeld in de overvolle catalogus van Millon/Banque Dessinée*:


Vrolijk paternalistisch stereotype in griffe potloodhalen, uit 1931. Let ook op het prangende vingertje van Kuifje. Psycholoog/linguïst Lev Vygotski verdiepte zich omstreeks diezelfde tijd in de geschiedenis van dit gebaar:

‘It is remarkable that man created for himself a kind of special organ of voluntary attention in the pointing finger, which in most languages got its name from this function’.

Hergé droeg zijn schetsje (minimale hamerprijs: € 10.000) op aan een medewerker van de Coeurs vaillants, het Franse tijdschrift dat in mei 1931 een grote bijeenkomst voor zijn lezertjes organiseerde. De tekenaar was ervoor naar Parijs gevlogen – het is zijn luchtdoop, lezen we in LIGNES DE VIE:

‘De Jabiru, die de verbinding maakt, heeft slechts ruimte voor tien passagiers. De vlucht tussen Brussel en Parijs neemt twee uur in beslag.’

Biograaf Goddin weidt er verder niet over uit, maar die Jabiru maakte me nieuwsgierig. We kunnen, na een duik in de geschiedenis, gevoeglijk aannemen dat het om een Farman F.120 gaat, een toestel dat door ‘kenners’ met graagte wordt afgeserveerd als het lelijkste vliegtuig dat ooit is gebouwd…:


…maar kom zeg: ik vind de excentrieke eigenheid beslist charmant – hoewel ik de sierlijke lijnen van een jabiru (=zwarthalsooievaar) er niet direct in terugzie.


*) Klik!



vrijdag 4 november 2016

Estúpido! Hoe de generaal zijn venijn verloor



Kavel 79 op de veiling van Christie’s: de Kuifje-familie doet een rondedansje. Begin vorige maand vroeg ik me hier al af waarom de vuige Alcazar in hemelsnaam als een dartele aap staat mee te hupsen. Nu we beschikken over het origineel…


…kunnen we constateren dat hij in het inktproces veel van zijn grimmigheid is kwijtgeraakt, inclusief zijn rokertje! Let ook op de Napoleontische ingreep: de knopen van zijn jasje zijn verplaatst naar de rechterbies en links sluit nu over rechts zodat de generaal er, gelijk zijn Franse collega, zijn rechterhand tussen kan schuiven.

Maar laten we onze aandacht verleggen naar dit kleinood:


Een voor de albumuitgave gesneuveld plaatje uit TEMPLE DU SOLEIL, afmetingen 6,4 bij 11,2 centimeter, richtprijs 15.000 – 17.000 euro.

Zonder context is dit een raadselachtig tafereel. Wie schreeuwt daar door de telefoon en laat Haddock peentjes zweten? En waaruit bestaat zijn repliek? Wat moet je, kortom, met zo’n ongewisse prent die ook nog eens voor een derde gevuld is met een ongevulde tekstballon?

Samenhang vinden we in het Weekblad van 20 februari 1947:


Verkeerde telefoonnummer, altijd leuk! Maar voor het album heeft Hergé het komisch intermezzo volledig terzijde geschoven.

Overigens, ze kan schokkend plat schelden, die kenau met haar krulspelden: ‘Loop naar de hel, lul, idioot!’ Daar komt geen ‘ectoplasma’ of ‘zoetwatermatroos’ aan te pas!

woensdag 2 november 2016

Het raadsel van de draaideur (2)


I.
Een woeste Kapitein, in het plaatje waarmee Hergé zijn onmogelijke draaideurgrap in De zaak Zonnebloem inleidt:


‘Jij pleister op een houten been!’ roept Haddock. Mooie uitdrukking, die met name in Nederland een tikje in onbruik is geraakt. In het origineel rept de Kapitein van het vernietigende ‘sous-produit d’ectoplasme’ (‘ectoplastisch bijproduct’), maar de vrije vertaling lijkt me in dit ene geval goed getroffen - als een vooruitwijzing naar de perikelen met Haddocks neuspleister.

II.
S. wees me op ‘Der letzte Mann’ van F.W. Murnau, een expressionistisch filmdrama over een oude hotelportier, uit 1924 - in haar vakkring aanbeden als een tijdloos meesterwerk door de experimenten met de ‘entfesselte camera’ (lees: een ontketende camera die de subjectieve blik van de hoofdpersoon uitdrukt).

In de openingsshots* speelt een almaar draaiende draaideur zo’n vanzelfsprekende en wonderlijk fraaie rol…


…dat ik me afvroeg wie dat ding eigenlijk heeft uitgevonden. In ‘Der letzte Mann’ lijkt het een rekwisiet dat speciaal door de regisseur is bedacht om er zijn revolutionaire filmtechnieken op uit te leven.

*) Hier te bekijken: KLIK!

III.
Voor wie het weten wil: uitvinder van de draaideur was, in 1888, de neurotische Theophilus Van Kannel, een naam die beslist niet onderdoet voor die van Trifonius Zonnebloem! Een van de fobieën van Van Kannel behelsde het beleefd openhouden van deuren voor vrouwen (ik verzin dit niet...).

Overigens is Van Kannel ook het brein achter de begin vorige eeuw zeer populaire kermisattractie ‘Witching Waves’, hier zichtbaar in de eerste dertig seconden van een Pathé-newsreel. Je moet, vermoed ik, wankel van geest zijn om zoiets te bedenken.


Vrijdag: ‘So imbecil!... So idiota!... So memo!...’ (over de Christie’s-veiling – de dubbelcatalogus Gibrat/BD/Illustrations is zojuist online gezet)

maandag 31 oktober 2016

Het raadsel van de draaideur (1)



Terug naar de draaideur van hotel Cornavin: een gag in drie plaatjes, met links de Inleiding, in het midden de Actie en rechts de Explicatie: J’ai oublié que c’était une porte tournante, mille tonnerres!... et je l’ai claquée en sortant!, zoals deze luidt in de woorden van de Tekenaar.

Is het een leuke grap? In elk geval is de Actie alleen begrijpelijk door de Explicatie, wat ik altijd een beetje een zwaktebod vind. Bovendien doet de uitleg van Haddock (‘Ik heb de draaideur toegeworpen…’) nogal een beroep op de bereidheid om er verder niet te veel over na te denken. Want is het chaotische effect werkelijk te verwezenlijken met die zware houten deuren van het Cornavin (ik tel ook nog eens 32 metalen grepen, acht per deur!) zonder de Kapitein superkrachten toe te dichten?

Overigens sta ik niet alleen in mijn scepsis:


In deze vertaling wordt de draaideur niet meer hard dichtgeslagen, maar duwt Haddock er nogal hard tegenaan. Hier lijkt de vertaler een andere pointe te hebben bedacht omdat hij de oorspronkelijke grap van Hergé onaannemelijk vond.

Woensdag meer!

vrijdag 28 oktober 2016

De Zaak M.



Valt er ondertussen nog iets te beleven op het juridisch treitervlog van Moulinsart? Volgens de laatste nieuwsbrief van het Hergé Genootschap lopen er momenteel vier (!) zaken. Van drie daarvan hieronder een samenvatting. De vierde is een nieuwe bodemprocedure over het auteursrecht die door Moulinsart gestart is in Den Haag. Die zaak is ‘on hold’ gezet in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad (zie Zaak 1, hieronder).

1. Over de albumplaatjes
Deze zaak betreft de cassatie van Moulinsart (M.) bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Haagse Gerechtshof, waarbij bepaald werd dat M. niet had aangetoond dat zij over de rechten van de plaatjes uit de albums beschikt. In zekere zin is het Genootschap amper partij, omdat M. tracht aan te geven dat het Gerechtshof fouten heeft gemaakt. De verwachting is dat eind oktober 2016 de Procureur Generaal (PG) zijn advies klaar heeft en aan de Hoge Raad stuurt. In de praktijk volgt de HR meestal het advies van de PG. Bij het Genootschap weten ze dan of ze hun zaak definitief gewonnen hebben, dan wel dat deze naar een ander Gerechtshof wordt teruggestuurd. Het arrest van de HR is pas rond mei 2017 te verwachten.

2. Over Kuifje.nl
In Brussel heeft M. een zaak tegen het Genootschap aangespannen over het gebruik van de site Kuifje.nl én de site tintinaroundtheworld.info. HG-voorzitter Jan Aarnout Boer:

‘Op het moment dat M. de zaak startte, was het Genootschap al lang niet meer bij die laatste site betrokken – iets wat door M. bevestigd wordt - maar ‘stel toch eens dat we die site weer zouden willen activeren’...Puur inhoudelijk heeft de zaak weinig om het lijf, maar we moeten ons wél verdedigen.’

Naar verwachting volgt eind dit jaar het vonnis.

3. Over Duizend Bommen
Bij de Rechtbank in Amsterdam heeft het Genootschap zélf een zaak aangespannen, de zogenoemde Verklaring voor Recht. Het Genootschap wil duidelijk krijgen wat wél mag – in plaats van incidenteel te horen wat niet mag. Voorzitter Boer:

‘Aan de rechter vragen we feitelijk toestemming voor het uitbrengen van een nieuw nummer van ons tijdschrift Duizend Bommen. We hoopten via een spoedprocedure die duidelijkheid te krijgen. Maar M. wilde niet dat het proces in Amsterdam werd gevoerd en gaf de voorkeur aan het combineren met een andere zaak, de nieuwe bodemprocedure in Den Haag. Om haar gelijk te krijgen, heeft M. een procedure in gang gezet om de zitting in Amsterdam te beletten. Die hebben ze verloren, maar het veroorzaakt weer maanden extra vertraging. De zitting zal waarschijnlijk pas begin 2017 plaatsvinden. Tot die tijd kunnen we geen nieuw magazine uitbrengen.’

donderdag 27 oktober 2016

Alleen op de wereld



Hergé in Parijs. Let op de portretfoto die fungeert als herkenningsbeeld in het publiciteitscircus van het Grand Palais. Het is een uitsnede van dit origineel:


… en een van de iconische prenten die fotograaf Paul Némerlin in 1956 samen met zijn broer schoot in de Studio’s aan de Louizalaan. Bekendste uit die klassieke reeks is beslist de ‘tafelopname’ met de opwaartse giebel van Fanny.

Deze mag er ook zijn:


Philippe Goddin, die in zijn Lignes de vie bijna een hele pagina wijdt aan het bezoek van de broertjes Némerlin aan de burelen van Hergé, noteert:

Roger Leloup en Baudouin van den Branden zitten op de vloer, Josette bekijkt enkele transparanten, France mengt nauwgezet de kleuren en de grote Bob de Moor brengt de kleine Joseph Loeckx aan het lachen. In het midden van de groep lachen Hergé en Fanny elkaar toe… en het lijkt wel alsof ze alleen op de wereld zijn.

Over de achtergrond van de broertjes Némerlin schrijft Goddin vreemd genoeg niks meer dan dat het ‘beroemde Belgische fotografen’ zijn, ‘gespecialiseerd in mode en publiciteit’.

Het is even zoeken, maar zeker over Paul valt méér op te merken. Hij blijkt een gemeenschappelijke kennis van Hergé en France Ferrari die in de oorlogsjaren goed verdiende met klussen voor door Duitsers gecontroleerde fotoagentschappen. Ook was hij de huisfotograaf van de Waalse fascist en collaborateur Léon Degrelle. Eind 1944 werd Paul Némerlin van zijn bed gelicht en uiteindelijk veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf.

Maar… mooie foto’s!

maandag 24 oktober 2016

De vloek van Lumbago


Ik raapte een krant van de vloer en bevroor in een hoek van vijfenveertig graden. Acute spit (ook wel: lumbago, wat ik overigens een veel mooiere benaming vind: je ruikt er een primitief dispensarium in, met een hint van slechtgewassen missiezuster).

‘Doe iets!’ kermde ik, maar S. wist niet goed wat ze moest doen. ‘Je lijkt wel een passer,’ zei ze, en ze kreeg een slappe lach die aanstekelijk werkte en de pijn nog verergerde.

Enfin, de Grote Kraakvis mocht me kraken! À raison van zestig euro per keer ging er in de voorbije tien dagen drie maal een chiropractor op mijn rug zitten. Eropuit moest ik, veel wandelen, maar tussentijds lag ik voornamelijk op bed, nog te gespannen om rustig te lezen. Ik dacht aan plaatsgenoot Thomas Verbogt die ooit beweerde zijn nervositeit te kunnen beteugelen met een plaatje uit De zaak Zonnebloem, pagina 19:

‘Daar vergeet De Kapitein dat hij hotel Cornavin via een draaideur moet verlaten. Hij heeft dat pas in de gaten wanneer hij de deur woest achter zich dicht wil gooien. Ik kan lang naar die momenten kijken. En daarna kan ik weer veel aan.’*


In de voetsporen van de Amsterdamse schrijver zocht ook ik verlossing. Maar lag het aan mijn eigen verstijving dat ik niet geloven kan in een draaideur die zo gesmeerd loopt dat hij dit kan aanrichten?


*) Uit de verhalenbundel ‘Zo gaan die dingen’ (2004).

donderdag 13 oktober 2016

De lippendienst van Bianca Castafiore



Jan Bucquoy in het Brusselse veilinghuis Béguinage, met een schilderwerk gebaseerd op zijn nogal lijmerige ‘La vie sexuelle de Tintin’ uit 1993. Het hele zaakje - originele platen en schilderingen - ging dinsdagmiddag onder de hamer.

Let op het ÉTOILE-omslag tegen de wand. Volgens de gelikte catalogus (onder supervisie van Benoît Peeters) het duurste kavel met een richtprijs van € 7.500 – 15.000. Uiteindelijk verkocht voor € 2.200 – een tiende van de totale, onbevredigende veilingopbrengst (€ 22.000 waar gerekend was op minimaal een halve ton).

Intrigerend publiek overigens:


Zouden die bebrilde madam die haar jurkje op haar oorbellen heeft afgestemd en de dame met het hoedje werkelijk hebben meegeboden op de penetratie van Bobbie en de lippendienst van Bianca Castafiore? Of zitten ze daar met samengeknepen billen en een licht gevoel van ongemak? De kavels van Bucquoy waren een tussendoortje in een uitputtende veiling van antieke vazen, juwelen, klassieke schilderijen en braaf serviesgoed.

donderdag 6 oktober 2016

Dartele apen



December 1956, de Kuifje-familie doet een rondedansje.* Dat Hergé ook Alcazar laat aansluiten, zit me niet heel lekker. De generaal is op dat moment druk met de voorbereidingen van een staatsgreep (lees: Cokes in voorraad), dan ga je beslist niet als een dartele aap staan hupsen omdat het nieuwe jaar eraan komt...

Enfin, het origineel van dit zoete tafereel gaat 19 november onder de Christie’s-hamer in Parijs. Richtprijs € 110.000 – 120.000. Dat is dan exclusief de kalender waarop het aantal sinten bijna niet te tellen is.

Op 22 mei treffen we Saint-Emile, voor een geloofsakkefietje levend verbrand in Noord-Afrika. 22 mei 1957 is ook de dag waarop Georges vijftig wordt. Een halve eeuw oud en stapelverliefd op zijn nieuwe inkleurstertje (22). Aan het eind van het jaar staat zijn relatie met Germaine in de fik en reiken de vlammen meters hoog.


*) Dubbele pagina uit de kersteditie van het Weekblad, 19 december 1956. Het omslag daarvan is nog een tikje zoetsappiger:



Ik knijp er even tussenuit. Eind volgende week verder.

dinsdag 4 oktober 2016

Een onmogelijk verlangen



Andere foto, zelfde kunstwerk: op de voorgrond Hergé, op de achtergrond De Schaduw/L’ombre van Frits Van Den Berghe. De Tekenaar steekt zijn pen op en wijst zo, onbewust, naar de traptreden op het doek.

Waarom hangt iemand die nog maar kort geleden in zijn ergste nachtmerries regelmatig trappen beklom zo’n kunstwerk in zijn studio?

Over Van Den Berghe lezen we dat hij veel interesse had voor psychoanalyse:

De droom, soms met zijn gruwelijke monsters, maar ook de man-vrouwrelatie en de seksuele driften komen daarom vaak terug in het werk dat Van Den Berghe maakte tussen 1925 en 1930.*

Deze gouache maakte hij in 1926:


‘Tafereel van een gesloten huis’ – een duistere reeks van drie gouaches die scènes voorstellen van een gesloten huis (met andere woorden een bordeel). Ze gaan over het verlangen, maar ook over de onmogelijkheid om dit verlangen te bevredigen. Wat rest is de verveling en de schijnbare teleurstelling.*


*) Tekstfragmenten uit een brochure van museum Dhondt-Dhaenens in Deurle.

maandag 3 oktober 2016

Naar Parijs !



Rechts: overenthousiaste presentatrice met nieuws over de grote Hergé-expo* in het Grand Palais in Parijs – de Franse televisiekijkers zijn er de voorbije dagen onder bedolven. Midden: affiche uit 1933 voor de speelgoedafdeling van warenhuis À l'innovation – fragment van de grote wand met reclameposters.

Een paar museumzalen verder vinden we twee wanden met het schilderwerk van de Tekenaar. Goed is hier te zien hoe Hergé in zijn werk evolueerde van zwarte mannetjes onder een paraplu naar groene wezens met een zwembandje:




*) De promotievideo geeft tussen de praatjes door een aardig beeld van de inrichting: KLIK!

vrijdag 30 september 2016

Niet weten wanneer je kunt gaan




Ted Benoit overleden – en het eerste waaraan ik moet denken, zijn vreemd genoeg die o zo aanlokkelijke advertenties (zie de twee voorbeelden hierboven) die uitgeverij Yendor begin jaren tachtig uitstrooide in bladen als Stripschrift en Oor.

Ik hield van hun fonds, hoewel ik dat Roland Donges-album van Dominique Hé niet om door te komen vond. ‘Ziekenhuis’ (uit 1979) maakte daarentegen indruk, met hoofdpersoon Max Penarie die met een onschuldig kwaaltje het hospitaal bezoekt en daarin zal eindigen met gangreen en een geamputeerde arm.

‘Hij wist wanneer hij kwam, niet wanneer hij kon gaan,’ karakteriseert Benoit zijn ongelukkige protagonist. In zijn tekeningen zie je hem zoeken naar een stijl die hem ligt. De klare lijnen in zijn latere werk lieten me betrekkelijk koud, te gelikt, te veel een maniertje.

Misdadig risico




November 1961, de Tekenaar wijst naar zijn nieuwste aanschaf, De Schaduw van Frits Van Den Berghe:


Of wijst hij specifiek naar de traptreden - twee jaar eerder een terugkerend motief in zijn ergste nachtmerries?

Hergé had nóg een Van Den Berghe in bezit – en dat is precies waarom deze Vlaamse meester hier ter sprake komt:


L’accident, uit 1928. De geestelijk vader van Kuifje tekende niet alleen onstuimige ongelukken, hij participeerde er ook in* en hij hing ze aan de muur.

Van Den Berghe was overigens nogal een twijfelkont als het aankwam op stijl (impressionisme, expressionisme, symbolisme) en dus is het in zijn nalatenschap vrolijk vlooien. Je kunt zomaar op een werkje stuiten dat de beste herinneringen naar boven haalt aan ‘Le petit cirque’** van Philémon-tekenaar Fred:




*) Begin volgend jaar, 17 februari 2017, is het 65 jaar geleden dat Georges zijn Lancia Aprilia in splinters reed (alsmede het dijbeen van zijn Germaine: zes weken in het gips, zes maanden geen beweging). Hergé noteerde later in een brief: ‘Toen men erin slaagde om Germaine uit de auto te bevrijden en ik haar het hoorde uitschreeuwen van de pijn en zelfs smeken om haar daar te laten zitten, zei ik tegen mezelf, te laat, dat het misdadig was om op die weg ook maar het geringste risico te nemen.’

**) Google toch vooral op de kleine en fijne Uitgeverij Hum! waar ze de branie hadden om dit Franse klassiekertje na 43 jaar in het Nederlands te vertalen!

woensdag 28 september 2016

Een crash van jewelste


Et voila!


Wie het verontrustende ‘Crash’ heeft gezien, de sex and wrecks movie van regisseur David Cronenberg (of het gelijknamige boek heeft gelezen van J.G. Ballard) kent de seksuele connotatie van een auto-ongeluk.

Maar wees gerust, daar gaan we vandaag niet verder op in.

Dus ook geen begeleidend commentaar bij bovenstaand fragment uit AMÉRIQUE (Petit Vingtième, 24 september 1931) waarin, met enige omhaal van woorden, wordt beweerd dat we deze botsing moeten ‘lezen’ als een gewelddadige penetratie.

Waar het me om gaat, is de zekere gedachte aan een analoog tafereel. Het duurde even voor het kwartje viel:


Het STRATONEF-avontuur van Jo, Suus en Jokko, vele jaren later. Kijken we ook nog even naar de situatie voorafgaand aan de botsing in AMÉRIQUE…


…dan is in één oogopslag duidelijk dat Hergé de crash en de aanloop daartoe domweg heeft gespiegeld.

In beide gevallen wordt de aanrijding geïnitieerd door een nog stilstaande auto die zijn prooi letterlijk in de flank bespringt - een pakkend beeld! In de STRATONEF-passage is de klap zelfs zó enorm dat de steunkleuren ervan losschieten.